164
geschoven dingen, waarvan Uriël, — naar hij nurksch afweerde,. — weinig snapte, al werden ze ook in koude drukte door warme broekjes gretig over den hekel gehaald.
In het kasteel-groote huis van zijn ouders, zat hij op zijn eigen hooggelegen en zeer afgezonderde werkkamer, haast vlak onder den nokbalk, het liefst alleen bij zijn boeken na te zinnen. Hij had geen opzichtige studenten-attributen, geen symbolische of pikante tier-lantijntjes en vercieringen aan wand en deur. In tegenstelling met zijn broer Leo, die, hoewel al drie jaar ,,klaar", zijn ,,kast" nog iederen dag vol met oude studie-vrienden meubelde, uit het waaigat der Leidsche aristocratie, naar hij smalende hoonde, en zijn zusters nog altijd naar studenten-bals meelokte. Uriël beoefende middelerwijl eenige sporten, waar geen of weinig kennissen bij noodig waren. Hij zwom, biljartte, reed paard.
Het internationaal verkeer bij de Rozenheim's, lokte hem nimmer. Er werd bijna geen Hollandsch gesproken. In het rijke huis op het Museum-plein en het modern-ingerichte kantoor op de Weesper-zijde, met de licht-speelsche Amstel vóór, verdrongen zich altijd Fransche, Amerikaansche, Duitsche, Italiaansche of Armeensche kooplieden, notabelen of deftige makelaars van enkele groote juweliers. Uriël voelde zich mét zijn studie en droomerige
Ïedachten, in het ontzaglijk-druk gezin verzwolgen, )it maakte Uriël allerminst rampzalig. Integendeel. Hij hunkerde onbeziens naar aandachtige eenzaamheid, zonder verstarring of valschelijk vertoon, wijl het alleen-blijven zoo zuiver in zijn zwaarmoedig verlangen lag; zwaarmoedig nochtans zonder snik, zucht of vergeet-me-nietjes-romantiek. Uriël hield niet van spreken en praal-tooneeltjes. Wél van alles stil-innerlijk beleven, — een heele gevoelswereld door, — en van veel verborgen peinzen. Peinzen? Peinzen?... Was dat wat hij zoo heerlijk en altijd té kortstondig vond....... was dat onbestemde, gestaltelooze, wisselende en deinende droomen wel „peinzen" te noemen? Het klonk zoo bewust en erg gewichtig, bij een zoo