156
Truddie en de weduwe proestten. Ze hoorden zóó casjuweel de stem van den ouden Portugeeschen dokter Valparez Diaz, een echte boerenkoolslijper onder de geneesheeren.
Schaamte schroeide Salomon. Wat was hij toch voor een dwarse gedenkpenning! Met al zijn schijn-aanvallen werd hij zélf omgekieperd!... Zoo een koopman in aalvelletjes!... Niks... versta wél... heelemaal niks!... Hij zwaaide zijn korte armen, die de muur, dwaas-vergroot, terug-schaduwde. Schrik voor de wijde, donker-woeste vloek-oogen van Sem en diens grinniklach, had oom Salomon getemd en mak-geslagen. Zijn menagim was geslonken. Zijn goddelijke Jomtob-blijheid bedreigd en bedorven.
Er werd nog wat vadsig geklikklakt met vorken en lepels en toen overviel de verzadigde stilte-stemming-na-het-eten, het klamme kamertje.
Truddie vischte ritselend-sluw weer uit, bij Sak, bij Josua, bij Salomon, of de ״rijke" Hereira d'Ancona's morgen zouden worden „opgeroepen". Sak gromde „ja" en kokerde één hand als een verrekijker voor de oogen...
— Nönéé,... bits, stootte Truddie uit.
— Nönéé?...... Akiaay, ze zelle joü oproepe, likró
battora......verekskezeer...... Motte ze nog 'n keuke-
trappie op de Theba hijze...... Zie je nóg niks......
mofine... Enne... wat offerseer je?... Blikkies of knoopies, schele ekster?...
Truddie grinnikte zelve mee, om Sak's wrangen spot, maar schoot toch bits uit:
— Weigoogem!...
Bedeesde weduwe Aboab verslikte zich haast wéér; nu in een vet-gulzigen lach.
In oom Salomon was alle boosheid geslonken. Die Sak wou hém oetse! Groote gein. Hij had hem heele-gaar dóór, dien gamoor, die te knap wasvoor de tweede klas, maar voor de eerste altoos zakte!... Je kon niet mit hem diskusjeere. Ja, hij begreep 't intresiek-fijne van wat je zeê!... Maar toch een schlemiel, zoo heele-
Boerenkoolslijper: vakverknoeier. — Menagim: vreugde. — Likrö battora: om te lezen uit de Thora.—Mofine: schaap. — Offerseer: offer. — Weigoogem: eigenwijze. — Gamoor: botterik.