268
wantrouwen toch altijd nóg grooter was. Vooral 'n sybariet onder z'n klantjes had ie dadelijk te pakken, brak ie in tien minuten klein.
Prompt dokten ze iedere week, Zaterdagmiddag, op. In glans stond ie dan achter z'n loket, de afschrijf-boekjes gereed, waarin met giftangeltjes adderden de sluwe kontraktjes. Want als ze twee weken te laat waren, vervielen al hun rechten, kon ie genadeloos terugeischen wat ie wou ; 'n apart genot met nieuwe demonische win-ver wikkelingen. — Aan palfreniers en huisknechten van rijke kennissen van de gracht, verkocht ie prachtig gekleurde vesten, jassen, handschoenen. Flora hoorde er met minachting over spreken onder de deftige families, 't Was 'n schande, zoo'n vies gesjacher, meende z'n vrouw. Had hij, schatrijk, dat noodig ? Op zoo'n uitval koelde dadelijk z'n fijn gesar. Hij grinnikte. Wat ? 'n Eerlijken handel zou ie niet mogen drijven ? Neen hij was voor niets te trotsch. Hij sloeg 'n kwartje verdienste niet af. Dat'moest zij toch al lang weten. En genadeloos ging hij voort met z'n verkoopingen, zonder naar Flora om te kijken.
't Kon 'm wat schelen, of die rijke druktemakers van de gracht hem minachtend bekeken. Overmorgen liet hem toch weer een uit zoo'n bazig en deftig gezelschap roepen, hadden ze hem weer noodig voor geldschieting. Dan wreekte ie zich lijntjes en sarrend op hun grofheid en gesmoorden schimp.
't Ergste sjacherde ie wel met z'n kleine weekhuurders.. Die had ie vast, kon ie dreigen met huis-uitzetten, of aan 'n ander verhuren. Hij had 'n troep woninkjes op de Brouwersgracht, Prinsengracht en in de Jordaan. Domme, brutale, schreeuwerige menschen, maar als de dood voor politie en huisheer. Daar kwam ie zélf, begoochelde ze heelemaal. — Dol van blijdschap waren ze, op zoo'n gemakkelijke manier aan enkele nieuwe spullen te komen. Daar plaatste hij twee stoelen, hiér 'n kanapé, daar weer 'n nieuwe tafel, elders 'n glimmerig, mahoniehouten kastje, hier 'n spiegel met vaasjes, daar 'n servies en zoo meer. 't Was erger dan gedwongen win-