254
lokaal uit, lokaal in. Hij begluurde de menschen, die ook kwamen snuffelen. Daar moest hij z'n slag mee slaan. Hij probeerde te gissen of er kenners bij waren. Zag hij 'n musikus met lang haar voor 'n kollektie violen blijven staan, dan gluiperig sloop ie naast, tóch achter hem. Hij beloèrde dan sluwigjes, welk nummer hij noteerde, na telkens dan dit, dan dat instrument geprobeerd te hebben, 't Kostte hem gloeiende, nerveuze inspanning alles te volgen, maar z'n brandende energie zwol in kracht. Sluw-heet dacht ie: wat jij er voor geeft, is 't mij ook waard. Van den musikus zwierf ie wèg naar allerlei soort handelaars, die hij vaagjes of goed kende. Voor hun oogen deed hij net of hij maar luchtigjes éven was komen inloopen. Vroegen ze hem, dan zei hij : hè ? ja.... hm !.. .. ik ben juist hier.. niets voor mij.... niets ! niets ! — Maar gejaagd bleef hij rond de argelooze handelaars heensluipen. Hij bekeek wat zij bekeken, hij betastte wat zij betastten en schuw, met sluwe intelligentie, neusde hij Ai van hun katalogi de nummer-groep die zij noteerden. Zoo deed hij bij karpetten, meubels, stoelen, bureaux, lampen, linnengoed, kasten, bij al wat er stond. O ! hij had niets noodig! Voor zich-zelf zou hij voor geen gulden gekocht hebben. Nu was 't voor z'n zaak, die hij denkbeeldige koopers gaf, waarin ie opging, z'n zaak, die heet z'n winlusten streelde. Zoo goedkoop kennis verkrijgen en zoo tegen 'n derde van de waarde boedels inpikken, was 't heerlijkste wat er te denken viel. Hij snoof de veilingluchten letterlijk op. 'n Theeroos kon niet met zoeter zomeravondgeur z'n neus bekittelen. Houtlucht van kasten, meubels, duffe stank van trijp en pluche; roestlucht van kachels, ijzer, staal, 't gaf 'm een benevelend geluk, een gevoel van veilige gezelligheid en verzekerde verdiensten-visioenen. En telkens als hij zoo wat alléén bleef in 'n zaal, wel doodmoe van het trage slenteren, maar in koorts-energie toch op de pijn-zware beenen blijvend, geen slok en geen hap zich gunnend, zwierf hij terug naar de beste nummers, die hij honderdmaal door anderen al had zien betasten, grinnikte hij zich-zelf in, ik krijg je.... ik.... ik.. ik !
Hij rekende, schatte, rekende weer en nog eens, maakte