250
gend wantrouwen, dat door z'n genoeglijkste minuutjes schoot als 'n heete, vervliegende, helsche jeuk. 't Werd 'n gekwel en gesar als de kruipingen van 'n duizendpoot, die de heete hersenen was ingekropen en nu met de fijne poot-sprietjes z'n binnenste zat te bekriebelen op plekken, waar hij niet bij kon. Soms dacht hij er dol van te worden, 't Was al zoo lang z'n obsessie : niets en niemand te vertrouwen, niemand in, niemand buiten huis.
Als er geen visite was, zagen ze hem nooit kalm zitten, 't Was 'n schrikaanjagend, wroetend rondgeneus in kasten, ge-zwerf langs deuren, gesluip in kamers, op zolders. Vooral in de meidevertrekjes en keukens toefde hij lang, heel lang, tegen alle heftige protesten van z'n vrouw in. Met z'n afstraffende, overrompelende ruwheid hypnotiseerde hij de meisjes. Ze rilden voor z'n gesluipgeloer, gestrikvraag, uitgehoor, z'n vluchtig rekenen op muren of aanrechten en schuw dadelijk uitvlakken, z'n heet nagekijk van boekjes, z'n tellen, telkens weer, van lepels, vorken, kopjes, schotels en allerlei keukengereedschap.
Die erge, heel erge onrust in 'm had hij pas de laatste drie jaar. Wat was er toch met hem gebeurd ? Iets ontzettend vreemds en iets heerlijks tegelijk, iets exorbitants, dat hem bezat, overheerschte, en klein maakte z'n eigen trots, maar toch iets, waaronder hij zwijmelde en zwolg van genot, van 'n heet, brandend-overvloeiend begeeren. Hij, die uit kleinen, berekenden leef-angst, zich nooit aan 'n passie durfde overgeven, uit bloedende vrees, dat ie binnenin vernield zou worden, opgevreten van zinnedrift, hij was nu al drie jaar lang de slaaf van z'n veiling-koop-hartstocht. Op alle manieren had hij 't voor zich zelf willen goedpraten, maar er was niets aan te doen, hij voelde zich, z'n verzet, z'n leefangst getemd door die passie. — Juist, wijl er voor hem geen finantiëel gevaar bestond, kon hij dien hartstocht niet de baas worden, 'n passie, die al z'n rust, heel z'n huislijk leven opvrat in gulzigste, slokkerigste koortsjacht. Met Flora had hij er vreeslijke scènes om gehad, zóó erg, dat haar moeder uit Duitschland er werd bijgeroepen : haar man was stapelgek geworden. Hij