249
Toen was plots 't jakhalsvuur in de valsche tril-oogen opgegloeid. Ze had gesidderd. Hij had haar overheerscht, haar, angstig-dwepende zwakkeling; met zoo verdoembaar-giftige woorden oversmakt, dat ze verstomd bleef. Ze dacht hem voor haar verschrikte oogen van gekrenktheid en dolle woede stapelgek te zien worden, 't Groene, valsche vuur fosforiseerde in z'n haat-oogen, die nu niet zenuwbeefden voor ha&r zwakken blik, en razernij vlamde z'n gezicht uit. Ze zweeg, Flora, viel neer op 'n stoel. Nooit durfde ze meer een woord over z'n maagrottende asemziekte zeggen, en hij voelde zich geweldig tóen in z'n macht op die telkens-van-zich-zelf-vallende vrouw.
Maar altijd knaagde er iets anders in hem, dat z'n genot vergalde. — 't Was z'n opschrikkende gejaagdheid, 't vampierachtige van z'n wantrouwende onrust. Hij zat bijna nooit thuis. Telkens sprong hij van z'n stoel, liep de kamer uit, de gang in. Van de gang zwierf hij 'n ander vertrek door, overal muizend en snuffelend. Hij had veel prachtige dingen verzameld in huis, of liever Flora, vlak om haar heen. Allerlei fraais nog uit de wittebroodsweken in de eerste jaren van hun huwelijk, toen haar hals z'n heele zaligheid geweest was. — Maar hij gaf nu niets meer om al die mooiigheid, keek er zelfs niet naar. Hij wist, dat 't waarde had. Toch was 't geen veiling-goed. En dat alleen had voor hem een avontuurlijke en passio-neele geschiedenis. — Hij hield bovendien niet van pronkerigen rommel. Hij smachtte naar soberheid, naar zoo weinig mogeijk gedoe om zich heen, óf 't moest koopwaar worden.
Zeker, hij wou in z'n huis wel dolgraag gezelligheid en knussigheid, vooral 's winters. Maar zoo weinig lui bezochten hem uit eigen beweging en z'n vróuw sliep altijd 's avonds. Dan kniesde hij zich dood in de groote holle'zaal, zette hij zich al meer en meer in den schemer. O ! hij wou wel leven om zich heen zien stoeien, gepraat en gelach, maar er duivelde altijd iets onrustigs in 'm, een knagende gejaagdheid waarvan ie niet af kón, die klam-zweet z'n lijf uitgiftte en hem soms de smartelijkste zelfvervloekingen op de tong brandde. O! hij wist wel wat 't was.... niets anders dan z'n kervend, kna