246
van al de helsche Beursstreken maakte hij gebruik voor z'n eerste kapitaaltje, tot hij eindelijk de woelende werking der win-instinkten in zich voelde gisten en hij met toevertrouwde fondsjes van anderen ging spekuleeren. Won hij, dan was hij rijk, had hij de heete visioenen van al die banknoten, den brandenden klank van al dat zilvergerinkel vlak onder z'n handen ; kon hij 't geld maar naar zich toe halen met stuipende vingers, doorsidderd van z'n koortsig begeeren. Dan waren z'n schim-visioenen geen wijkende fantasieën meer, maar werkelijkheden, massief als marmer. En hij wón ! — Toen, midden in 't win-geluk, hield hij op. Dat was de duivelskracht van z'n natuur, plots te breken den zwellenden wellust van z'n gloeiendst verlangen. Hij had z'n slag geslagen. Even duizelde 't in z'n hoofd, wat hij gedaan zou hebben, als hij verloren had. — Z'n slachtoffers begrinniken, want in den machtsgroei van z'n begeeren moest het in zijn hart killer zijn dan in 'n kelder. Hij haatte diep ieder meelij-gevoel met zwakkeren en gevallenen, 'n Meineedige daad, met avontuurlijk moedsvertoon en sluw-fijn, pervers vernuft doorgevoerd, vond hij ontzaglijk veel hooger staan dan de grootste weldadigheids-voorstelling en 't teederste meelij-vertoon. Nu hij rijk was, gebruikte hij geen stroopkwast meer, kromp en boog hij niet meer, hoefde hij niet zóet te likken wat zuurde. —
Hij wist voor zich met z'n sjacher-filosofie precies, wat er te koop was in iedere menschenziel. Z'n verachtelijk speur-genot en z'n alles doorsnuffelende onkieschheid brachten 'm tot 'n satanisch mensch-beschouwen. Zijn wroknatuur schoot dadelijk een diep-donkere plek voor z'n duizelende machtsverrukking, die hij ondergaan had bij z'n plotselingen rijkdom. In z'n grimmige afgunst herwon hij zich op z'n ijlende win-koorts en z'n doorgroeiende vraatzucht beperkte de overstelping van z'n geldvreugd. Hij bezon, bezon diep en angstig met z'n nuchterst verstand, om te houên wat 'm toegeworpen was. Z'n wantrouwen hielp hem verkoelen en voor menschen bleef hij heel kalm. — Niemand zag z'n innerlijk geweld en de moordende hardvochtigheid op z'n blank gezicht. —