240
macht. Hij krenkte en haalde neer, hij gloeide van vreugde in z'n verkleining en vertrapping, omdat hij er dat valsche geleuter over dat ״hoogere" mee raakte, dat ,,hoogere", dat ie haatte, dat er niet was en waarmee de menschen in zieken waan zich-zelf vèr boven hem uittilden; menschen als hij, die precies begeerden wat hij begeerde, geld, macht, grof en fijn genot. — Nu priemde hij ze in hun blaaskakerij en nu gilden ze. Maar wat gaf hij om dat gekrijsch over waarheid ! Wat was dat nou weer voor 'n ding ! Leeg gekal, woordgespeel en hol geblaas. Er bestond net zooveel ,,waarheid" als er „men-schenliefde" bestond ! Waarheid ? Dat was hij zelf, dat waren z'n oogen, z'n handen, z'n lijf en wat er binnenin woelde, zijn begeeren, zijn denken en zijn voelen. — Andere waarheid dan zijn waarheid leefde er niet voor hem. Wat had hij aan andere, algemeene waarheid, die heelemaal niet bestond, 'n leegklankig woord was ? Een der meest vooze leugens bleek al dadelijk, juist, dat er „waarheid" zou zijn ! — Dat was sluwe uit-den-duimzuigerij, zooals alleen lui van zijn duivelige echtheid die durfden uitdenken. Alle menschen waren op den keper beschouwd één pot nat. En ieder broedde in zich, in 't geheim, de hebzuchtigste neigingen uit. Ieder die 't tegendeel beweerde, zonder er een ik-voordeel mee te bedoelen, schermde in de lucht, was binnenin voos, gaf zich een schijn-houding, 'n smerig airtje. Geen sterveling was er zonder hebzucht, zonder dat heerlijke gevoel van hou-wat-je-hebt en-vermeerder-je-macht. Die anders praatten waren femelaars, gekken, overspannelingen en vervalschers van hun eigen begeeren. Wat gaf er nu grooter genot dan liegen, fel, genadeloos liegen, als men er zich mee verrijkte of z'n macht verhoogde ? O ! hoe genoot hij van z'n valschheid, z'n duizendmaal weg-slingeren van en weer terugkronkelen naar principes, als 't noodig was voor z'n macht. Wat genoot hij van z'n draaierijen, z'n listen en z'n praatjes, als 't om lokken, om strikken-dichttrekken en smoren te doen bleek. — En al dat gewawel over vrijheid en verheffing, hij spoog er op, — 't was de verdoeming van 't beste in 'n mensch. 't Was óók 'n kramp-