195
van woede. Zijn gezicht trok vaal, zijn stem trilde en zwaar verstikt in half bedwongen heftigheid heeschte hij uit :
— Meneer Soonbeek, dat gaat te ver ! Wat komt u eigenlijk hier doen ? Met moedwil me beleedigen ?.. .. Pas op, meneer, want dan sta ik u ? Pas op ! Ik verzoek u, nog eens te zeggen wat u gezegd hebt, of nader te verklaren, wat uw bedoeling is !
— 'n Mirakel, 'n mirakel, — piepte Soonbeeks stem beverig hoog, en kleintjes schrompelde hij terug op zijn stoel, telkens langer zijn oogen sluitend en optillend als 'n ontroerde blinde.. U bent me 'n driftkop, goeie grut ! goeie grut ! wat 'n heet stoofje.. .. maar meneer Fleury mag ik niet vrij m'n meening zeggen ?....
— Niet op zoo'n.... onhebbe....
— Maar, maar, haspelde hij haperend terug.
— Stil, meneer !.. .. u laat nooit iemand uitspreken !.. .. U moet niet zooveel voorrecht nemen, omdat u geld hebt ! Laat 'n ander ook eens wat zeggen.... Als u lesjes wilt geven, doe 't dan zoo, dat 'n ander er niet door beleedigd wordt. Dunkt u 't geen verdachtmaking, in 't bijzijn van mijn vrouw te zeggen, dat ik er maar op los leef, dat ik....
— Goeie grut! goeie grut!.. .. mag ik niet zeggen, — piepte hij er weer, ontdaan door Maurice's strenge stem, tusschen.
— Maar zwijg dan toch éven, meneer Soonbeek.
— Zwijgen ? zwijgen ? zwijgen ?.. .. u bent d'r óók 'n mooie !.. .. Nou.... ik bedoelde.... ik bedoelde.... heelemaal geen kwaad.... ik denk aan geen verdachtmaking.... ik denk aan geen verdachtmaking !.. .. Mevrouwtje ! hoe komt uw man er bij !.... Ik bedoel.... ja, hm ! ik wou.... weet u !.. .. ik wil alleen maar zeggen.... dat ik.... dat ik dat jonge trouwen.... dat jonge.... dat héél jonge trouwen.... in beginsel afkeur.... weet u !.. .. Goeie grut !.. .. dat trouwen, zoo,.... zoo.... maar, meneer Fleury.... ik heb veel sympathie voor u.... ik dacht er niet aan, u te beleedigen.... ik dacht er niet aan.... evenmin als u mij wou beleedigen..
— Laten we 'r dan maar niks meer van zeggen ! Ik heb