193
— Meneer Soonbeek, ik vind u akelig pedant en ongevoelig over kinderen praten.... Maar ik houd vast aan uw verzoek .... U zei, dat we, wé.t u zei niet letterlijk moesten opnemen.... U spreekt nu eenmaal zoo'n beetje symbolisch. Misschien, ja, heusch misschien verwent u uw kleintjes zélf nog 't meest.... En u wilt u.. .. bij ons.... voor heel geducht en wreed laten doorgaan.... dat is poseeren, meneer Soonbeek ! Wilt u dan werkelijk, dat we u voor 'nbeul aanzien ?
— Hm, ja! hééé!.... wat 'n aardig medaillonnetje hebi u daaraan, mevrouwtje.... Is 't echt? echt, echt zilver? of Amerikaansch zilver ? — viel met plotselinge stemafdwaling Soonbeek uit.
Hij boog over naar Louise's borst, om 't medaillonnetje te bekijken en te betasten. Hij had al lang iets willen verzinnen, om wat intiem-dichter bij haar te kunnen staan, desnoods iets van haar aan te raken, 't Medaillonnetje vond ie een lor, maar Louise zoo mooi, zoo'n fijn snuitje, zoo fier en blank en stil, zoo heelemaal anders dan zijn eigen vrouw, die beleefd-lief en koel-vriendelijk ieder met hetzelfde lachje en dezelfde praatjes lokte.
Bij de eerste aanraking van zijn blank handje tegen haar borst, zijn gezicht vlak onder haar mond, week Louise plots in schrik achteruit, dat 't medaillonnetje uit zijn hand glipte.
Ook Soonbeek, zonder verklaring van haar schrikken te vragen, kreeg plotseling zijn bezinning terug. Met een kleur als een boei droop hij af, nerveus, scharrelde weer kleintjes naar zijn plaats, niet hoorend 't deftig-gekraak van zijn schoenen. Zijn oogen trilden hevig, z'n blik zwierf rond, alles bekijkend, zonder te zien.
Louise had, toen Soonbeek met zijn gezicht vlak naar haar stond overgebogen, 'n vreeslijken asem geroken, als van 'n rottende lucht uit 'n bedorven noot. Ze kon zich niet beheer-schen, had den schrik-schok eruit gestooten voor ze zich bezon. Zoo iets walgelijks en zieks had ze nooit nog uit 'n menschenmond ingeademd. Soonbeek leek er heelemaal in de war van. Dat was nu juist zijn kwaal, waarvan hij zoo geheimzinnig
18