87
De Haven lag gerammeid, begraven onder leege kisten met mandjes, en overal dreef rood sap, donker bloedend door 't zwarte kolengruis, verkrinkeld in sporen en plasjes. —-
Dirk had z'n zware kar met voorzichtige zwenkingen tusschen stilstaande paardjes ingewerkt, zoo dicht mogelijk bij de boot, waar ie z'n goed op te laden had. Telkens schokkerde ie 'n eindje verder, meer naar den wal, tusschen de dooreengezwaaide kistenruzie en manden, tonnen en planken.
Sterker kwam aanwemeling van groenboeren, vrouwen en kinderen, en oorverdoovend raasden de blaffen van karhonden, die daar woelden, rukten en huilden onder de donkere assen, jammerend tusschen hun bemodderden engen knel van spanriemen en treksels. —•
Vervuilde, langharige kerels, met dronken-lacherige tronies stonden in overhemd, achter d'r poon- en scharrestalletjes, hun eigen waar op te eten, schor futloos roepend : fèrsche poone.. fersche skarre.... In kringetjes rond en onder 't tentdoek, lolden wat venters en tuinders, poonen etend en uitzuigend, met hun handen de visch losbrokkelend. In nek-achter-over-zwaai, kwakten ze zich telkens stukken vettig vleesch 't mondgat in. ■—•
Zuigsmakkend en belekkend de goud-donkere poonvellen, plezierden ze, waggelend op de beenen. Stil stopte verkooper ze schar na poon in de handen, terwijl hij zelf smakkerend vrat, z'n mesje tusschen 't scharrenvleesch peuterde, fijn reepje na reepje, achter de tanden vergoochelde. •—■
Zon, uitgloeiend achter weggedreven onweergewolk, brandde weer fel op tentdoekjes, die lichtstreepten rood-geel, onder boomlaan door, de smoezelige linnen kleuringen, warm-dampig verzonnigend.
In één uur tijd was de geweldige marktdrukte komen aan-donderen in furiënd gescharrel en gesjouw, geraas, getier en roezemoezende stemmenbotsing. Paarden met karren, al méér, al méér, klakkerden en bonkerden onder de belommerde kastanjelaan, schurend langs de huisstoepen, zwenkend, tegen elkaar öp. Vrachtrijders verkrijschten: ho!.... ho!... hai!-