88
daar !-geroep, tusschen kerels, vrouwen en kinderen; tusschen ladende en lossende werkers, of dwars door rumoerige groepen, opgepropt öm groote groenteuitstalling van afslag, waar koop-gierige schobbejakkige venters rond-kankaneerden in schor op-bied-geschreeuw, als dronken duivels.
Van zijstraatjes uit, dobberde zwaar-stootend gedrang van karren, de eene al hooger achter de andere opbergend, met kisten- en zakkenlading.
Tegen half zeven daagde van allen kant 't landvolk öp, voortstuwend pyramiden van kleurdruipende groenten, als was aan akkerzij van Wiereland overstrooming losgebroken, de zee over de duinen heengegolfd. Als was daardoor 'n chaotische beroering, 'n opstand, dwars door paniekheen gescheurd ; had zich 'n drom angstigen aanééngestoet, verschrompelde bemodderde kerels, reddend van hun zwaren ploeter al wat 'r op 't land nog te halen viel. Eén wilde, woeste samenstrom-peling van mannen, vrouwen, kinders, met kisten en manden en zenuwbevende handen, die meehielpen aansjouwen en wegduwen van kar naar boot.
Aardbeigloei, rood-fel en purperdiep, brandde weer in zonne-laai. Honderden en duizenden bakken met de roode prachtfurie der vruchtjes gingen van hand tot hand op de booten, van de karren naar de dekplaatsen, en van alle kanten losten de wagens uit, stortten een groentezee neer, in branding van kleuren, aanklotsend tegen zonnegolven; tegen broklijven van schuiten, kerels, karren, paarden en honden, één woeste uitgolving, öpzieding van groen, groèn, van zeng-rood, vuur, donkerend purper en hel prachtig wortelen-oranje. —
Hemel was blauw-diep weer uitgetinteld, tusschen zilve-rende wolktochten en in de koelender zilverglanzen van gloed-roode, stillere zon, lag de kastanjelaan doorzeefd in wondren glansnevel, doorvlamd en zonnemistig tegelijk. En de groenbemoste boomstammen, in flitsen grillig beserpentiend, kromden gevangen in gouden kronkels van glans-slangen.
Dampig gezeef van goudschemer, gloedrood, vloeide over de bronzen en roode kielen der woelende kerels, werkersstoeten