85
stootte z'n klauwen öp, stond ie met één gestrekt achterbeen hoogten op te rijden, de heele karrevracht tegen z'n buik, borst en schoften gestut, in hevigen span van pezen, de nijdige chineesch-jukkige kaken beverig van krachtspanning, z'n tronie rood aangezwollen, langzaam duwend, duwend....
Dood van zweet en gebroken van hitte bonkerde en ratelde eindelijk z'n kar de Haven öp. —
II.
't Was Vrijdagmarkt, tegen half vijf. Van enkele zijwegen en uit smalle, door zon verblakerde steegjes kwam aanrateling van karren ; tuinders die hun waar vroeg opgeladen hadden. De havengrond bij brokken bekeid, lag vol koolstronken, aard-beirotte plasjes en groenten vuil. Eén brok weg, zwart, gruizig besinteld, rond rood-wit bemeniede lantaarns, frisch zomers opgekwast, lag bezaaid met kisten. De huizenkant van haven, met z'n gevel-trappige woningen van dominee, dokter en wat winkeliers, tot meer naar achter, waar 'n woelige oppropping van kroegen en pakhuizen samendrong, — koelden donker in zwaar uitgegroeid lommer van hooge kastanjeboomen, wonder-groene laan, ingeplant tusschen wal en stoepen. Het ruiten-licht van de oud-gevel-typische huizen in wazig-groene glanzingen, verschemerde 'r geheimzinnig 'n eigen bestaan; bestaan van diepe halfschaduwen, dwars door het aandroesemende lawaai en geraas van havengescharrel, geheim stil verwisselend achter zwaar lommer. — In 't walletje kleurden achter elkaar, pas aangekomen booten, waarop dekknechten met oorverdoo-vende herrie kisten van 'n plank lieten glijen öp de steenen, langs de reeling, door 'n anderen kerel weer vérder rondgeslingerd tusschen vuile stronken en groentenafval, sintel en kei. — Zoet-zwoele, tot stank verbroeide geur van aardbei vloeide wég in vunzige lucht van duffe groenten. Heel de Haven zoog in, al luchten en reuken, ademde weer uit, bedorven saamgebroeid zoet van aardbei, aardappels, sla en penen.