83
middaglucht om 'm heen, — hoe benauwder ie werd. Nou wilde hij zich verschuilen, de luchtdreiging niet meer zien, die donkere wolkenforten niet. Nou wilde hij zich wel ergens ingraven, in z'n kelder met 't luikje dicht, dat hij den bliksem niet zag en de bliksem hèm niet kon pakken ! O ! als de dood was ie 'r voor, als de dood ! Te sidderen stond ie en 't akelig-valsche licht maakte 'm bijna misselijk. Guurt was ook bang, heel bang voor onweer, en telkens keek ze naar den hemel, ׳of er niet wat wegdreef van 't donkere gewolk, er niet wat blauw opklaarde. —
Kees bleef strak, in werkrust, als gebeurde er niets in lucht en aarde om 'm. Bak voor bak sjouwde ie met Dirk ain, naar ,t pad.
— Aa's dur moar eerst op de boot is maane, veür de bui, vibreerde angstig-klam stem van ouë Gerrit, goeiig tegen Kees, dien hij anders nooit aansprak.
— Seur nie, snauwde Dirk, komp'r aa's aêrs, hee ?
— Wee'k soo net nie.... wee'k soo net nie.... kaik de lucht hee ?.. hoho ! die is t'met vuil!....
— Loop rond mi' je lucht.... wa' ken main je lucht skele, woedde Dirk achteruitgeduwd door Kees, met aardbeibak tus-schen ze in, in sjouw naar 't pad.
— Hier, neenet Kees, hier!.... soo... daa's weer 'n aêre... boofe die bak.... Net soo !... ik mo' nog main boome ansette!
Veertien bakken aardbei waren aangesjouwd. Breed raam van platte boomen, bonkte Dirk in hurriënden til op z'n kar. Al meer moest ie opladen, van voor, ver buiten de wielen, van achter, tot aan de kruk. Toen ie z'n raam op de kar geslagen had sjouwden Kees en Dirk bak voor bak aardbei öp, dof-angstig xood nu in 't luchtdonker, sla-stapels en zakken met doppers op elkaar, en hoog boven de kisten weer wortelenbossen, nat nog, oranje bergjes op 't groen van loof en kroppen. —
Vreemd schril, in woest-valsche lichtglanzing, fel goud-dampig, was zon achter paarse wolkbreuk plots doorgeschuimd. Blauwige gaten spoelden weer tusschen het dreigduister open. Ouë Gerrit luchtte óp. Er gebeurde iets in de lucht, waarop