7i
Tweede schoft was snel afgejakkerd in hagenluwte. — Ouë Gerrit had loenscherig rondgekeken, wou niet dat de plukkers en de kerels lang kauwen bleven. Naast 'm, bij z'n broer, kropen ze al weer in de paadjes. Nou moesten de werkers wat opgepord. Hij joeg. — Er zat onrust in z'n handen, onrust in z'n lijf, omdat ie werking voelde in de lucht, waar zwaar gewolk doorheen grauwde. —
Tot vier uur bleef er stomme stilte onder de zwoegers. Plots van allen kant kwam er windwarrel opzetten, die gloeikolkerig zand over de akkers heenhoosde. Duisterende groening, angstig geel-donker wolkgestapel, stond rond den horizon gebouwd als grauwe vestingen en forten. Stug vreemd licht, met paarsgeligen glans in zonkant, kwam de akkers grillig be-schijnselen, heele brokken in feilen valschen zilverbrand verfonkelend. In regenhei licht, groenden boomen, hagen en gewas rondom. Er zat benauwing, droog -nog, en angstige werking in de lucht, en snik-heet doorstoofd, verstoft, slapte 't lage gras en wild gestruik aan de akkerpaden.
De werkers, plots onder geweldig gelige wolk-zwavel verkleurd, tusschen het demonische fel-zilverend groen, voelden prangenden druk en smoorhitte in 't hemelruim, woeste werking vlak boven hun koppen en velen van hen, angstigden en beefden in de handen en beenen, als ging er ontlading en uitbarsting van onweer, kramperig en gejaagd, éérst door hun lijven.
Ouë Gerrit vooral had zich den heelen dag al onrustig opgejaagd gevoeld. Onweer woelde in hèm uren vooruit. Angstig was ie van z'n plukbed versprongen naar Dirk toe. En aldoor keek ie öp naar de paarsgele luchtdreiging, ver uitge-welfd, geweldig boven de akkers, die heel 't diepe luchtblauw weggeslurpt had. Heftige warrelwind, droog en stuivend in wilden loei, ging telkens door de boomen, uitgolvend zeege-druisch dat aanzwellen kwam sterker, al sterker over de akkers, ziedend uit 't bange geel-groenige laantjesduister.
Al benauwder voelde Gerrit zich worden, banger, in wur-genden angst, als droeg ie boomen en luchtzwaarte op z'n hoofd ;
II. 6