73
kelen in. Maar roerloos de kerel op z'n rug, uit de luwte gerold, met z'n kop naar den hemel, armen boven z'n hoofd gerekt, lag daar dwars in moeë bezwijming. Hij kón niet drinken, niet één verkoelingsslok. Hij kon niet spreken, te machteloos zelfs om vliegendans op z'n dichtgeschroeide oogen en bezweet gezicht af te slaan. Stom liet hij zich maar bekletsen van lolwerkers, omzoemen van insektenwarrel. Stom bleef ie hijgen als half vermoord werkbeest, stom en uitzinnig van hitte. —
Van verre tuinen, de gouden vlierboomen vlamden als hooggele boeketten laaiend goud, hoog tegen hemelblauw geheven. Magere popels, wilgen in lichte zilvergrauwe ritseling naar duinkant, rankten star in de strakke hitte. Rietbergen op bollenakkers grauwden aschblondig. . Naar den zeewegkant, achteruit op Duinkijk, groenden zware boomen, dichtgegroeide laantjes met eiken, beuken en wilgen, dooréén. — Soms poortten verschietjes open, als violette nisjes, ingediept onder 't akkerbouwsel; lag er paarse nevel tusschen de kruipende halve boomschaduw te dommelen, loom van hitte.
Langzaam, wat laantjes achteruit, door dalenden zonnegang in brand gezet, openden zich als zonne-hofjes, dartelend en spartelend in schuinen zonnedamp, die overal onder zwaarhooge struiken döörvonkte. Langzaam week wazigviolette purpering van schaduw achter muren van licht, in sprookjesschemer. — Teergrijs en blauwpaars zengden öp de akkers wat schuurda-ken. — Hel-roode stolpjes kleurschaterden fel in de gloeiakkers, vèr van elkaar. Eén leien schuurdak stond in zöö feilen zon-schitter, zöö verblindend in uitstraling en fonkeling over de naakt-lage bollenakkers, dat 't was, of daar 'n aardebrok begon weg te gloeien, in 't vonk-hevigste zilvervuur van licht. In helstrak hemelblauw vlamde 't daar, straal-sterre-lend; 'n uitbarsting, of de zon 'n stuk lawa-leven van haar leven, zengender en trillender, in helle fonkelsliert als woest goden-altaar van zilvervuur, op de verbaasde aarde had neergestort.