69
woeste rooidrift van bollenkweekers. Van alle kanten, in diepe voren ingekneld met hun knieën, schoven ze voort, de rooiers, 't gloeiend akkerzand in klauwigen wroet opengravend, den heeten zandstuif naar zich toewaaiend, de longen in. Hun verschroeide bronzen koppen, strak en gebukt van ernst, dampten en zweetten in gloeistof, hun heele lijf ingehurkt, verteerde in drogen schroei van zand en lucht. De zon in z'n vroege Juliglorie daverde hoog in 't eindloos blauw, ingeschroeid in kringen van roodviolet licht en gouden kransen, woelend de lichtende hemelzee rond. — En de lichtlansen harpoenden neer over de gloeiende akkers, die in dorre, schorre hette smachtten naar regen. —
Lévende hitte trilde en golfde op de rooiershanden in den grond, als groeven ze in lava, en 't zengende licht koortste en kookte zóó, dat de akkernevelen in 't verre blauw wit en fijn-grijzig vervloeiden van warmtewaas. De zandgrond, hoogpaars blinkend en heet, lag naakt in woestijnige zonnemarte-ling, met den opengegraven grond al heeter uitdampend onder hun knieën en gezichten. Van alle kanten uit breede hurkrij van rooiers, fonkelden schaalranden in 't licht, rooibakken éven opschitterend fèl als scherven zonbeketst glas of schilferend metaal in brandgloed. Tusschen de bollenbedden bochelden in gedrochtelijke standen rooizakken, half of heel gevuld, als onthalsde kerels, enkele buiken en rompen, zonder armen, potsierlijke dans van wittig-bepoeierde karikaturen, die keken en lachten uit hun komische plooien. Kerels, in zweetzwoeg, sjouwden van en naar 't pad, ladend de zakken op karren. Rijen rooiers, in brons, pracht-warm rood en blauw gekiel, ingehurkt verzakt in de zandvoren, knielden naast elkaar, in woesten grabbel rukkend met hun vingers 't zand open, wroetend dieper den grond in, tot ze de bollen met heel 't wortelennet, beklonterd fijn gevezei, er uitgegraven hadden. Telkens één uit de knielende rooiersrij, gooide de rooibakken en schalen, opgestapeld met bollen, leeg in 'n groote zeef. Van vijf, zes hoeken tegelijk soms, ging er schurend sis-scherp zeefgeluid over de akkers, rond kerels in zonnevuur, met de groote zeven