439
zand-rand. Telkens uithijgend, keek ie koeiig-loom de vaal-grauwe akkers over, die eindloos droefden onder de lage lucht, scheemrig grauwden onder onrustige wolkenjacht.
Tegen donker werd er gestopt; stapte Piet naar Dirk, liepen ze, stom naast elkaar 'n havenkroeg in.
Bij Pijler, waar de blonde meid van Rink uit den polder, woonde, zopen ze zich zat, doorhuiverd van landguurte.
'n Week na den dood van Wimpie hadden ze daar plots Kees ontmoet, met, van magerte verminkte tronie, slapwangig, fletse, moedelooze oogen, verbleekt, en beenig-verzwakt z'n scherpe kop. — Z'n reuzig lijf ging krommig als van ouën Gerrit, en hij zóóp, zóóp op den reutel, achter een, zonder ooit 'n woord te spreken. —
Wat óm en in hem gebeurd was, begreep ie zelf niet goed. Hij wist alleen dat hij, op 'n avond thuisstrompelend van 'n dag werk, in z'n donker krot, biddende wijven had zien staan, toen hij instapte. En daarna Ant, in snikkende huilkramp voor 't lijkje van Wimpie ; om 'r heen, de doodstille staar en angstige ontdaanheid van den kinderkring. —
In dollen schrik, die 'm deed waggelen, was ie dwars door de opschrikkende huilende wijven en wat kerels, naar de plek gesprongen, midden in de kamer op de tafel, waar Wimpie te kijk strekte, omschemerd van kaarslicht, naast 't krucifix. — Op z'n doodsbed lag ie daar, 't paarse kopje in den wasschemer, op wat kussens, strak, onkenbaar ingezonken, met smartelijntjes om mond en neus. —
De buurvrouwen en biddende kerels lagen om 'm geknield ; stapten telkens naar 't doodsbed, lichtten 't laken van 'm af, en bestaarden 't doode manneke. — Rozekransgemurmel en litanieën verklonken luid, en stemmen dreunden óm hem. Maar hij in schrik lam en wezenloos. En telkens, bij 't weggaan van wat biddende wijven, zag ie hun, met 'n palmtakje uit 'n glas, wat wijwater plengen op 't lijkje. In 't eerste uur had ie niet meer kunnen kijken, hoorde ie de vlijmende snikken van Ant, die in 't achterend zat weggedoken, stom ; zag ie, in opdringerige felheid, z'n halfblinde schoonmoeder schuifelen tusschen de