436
ges, in hun sneeuwing en zilveren ritselgeblaar, kwijnden verbleekt tusschen den roodgoud koperen gloei van lanen; langs wond're kronkelwegjes, doorruld van rossig zand, waar droomrige stilte boven herfstbrandende kleur, te suizen en te wiegelen lag, te legendeeren en te zuchten op zang-zachte wind-vedels, goudtrillend besnaard met fonkel-teere herfstdraden.
En telkens, tusschen !Jen lagen zwiephang van getwijg, dat te ijlen hing in koortsig koloriet; tusschen 't donk're weenende rood, beschaduwd purper van prelatenmantels, verborgen rood, al wisselend naar schitterig koperrood, in tempelige gloeipracht goudgeel oversneeuwd, meloenig-warm, — verfakkelde de helle vlamming van de lijsterbes, oranje-hoog tegen 't luchtblauw, daverenden jubel. —
Heele boomgroepen stonden in bronsgroen en bruingoud, met de doffe pracht van verouderde kleuren, in brozen bloei verbleekt. Dan plots weer straalde de zon dóór, feller achter zilveren wolkbuien uit. En als 'n overstormde stad, over-stormd van kleurensneeuw, goochelde de dóórscheemrende ruimte van boschplekken ópen in koperen gloei ; waar, óver blaren en twijgen, kruinen en stammen, 't zonnelicht één sprook van wonderglansen tooverde ; moorsch-tempelig, doorgloeiend de goud-gele sneeuw, het bevende rijp-schitterige kastanjegoud ; in wijden takkenkring, den saffierig dooraderden bladertros doopend in citroengloed, dompelend in heet oranje. — Zoo, in één gisting van wonderlicht, satijnig en moireerend, hevig doortinteld en gazig, nevelzacht en beverig, even doorstreek! van wasemenden kleurfloers, soms hèl omschijnseld van vloeiend wijnrood, purper en groen, in herfstigen toover, groeide de stille dagbrand aan. —
Als 'n ondergraven stad overstormd, plots opgerezen uit aardediep, uit inkrustatie van oudheid, goud-purperde en brons-roodde de herfstbrand, laaiend door de bosschen, legenden verwevend van boom tot boom; zóó goudvuurden de paadjes en laantjes in de vrome stilte van hun gloed ; de tinten rond de boomen er opgestoven, er tegen aangeademd, rag, broos,