434
braambrand van fijn-schitterende kleuren, uitvloeiend door boschjes, laantjes en tusschen boomen toovertinten van goudrood en goudbruin verspelend, vergleden tegen den stillen noen, in zilvering van zacht uitstroomend licht, levende wonderen wevend onder stammen en struiken. —
Regenbuien zongen, er. alsof lichtzilver door de luchten heen-gespuid werd, zoo, grijs-fijn, in zilte pracht, dropen de dagen de hemelen uit.
De wolken zeilden en in trillend vocht glansde 't land, tusschen den regen, strekten de akkers in zonnige borreling van licht volgestort. —
Zilverig geglans en nattig geglimmer overal op de bladeren; fijn gesproei van vocht tusschen den hoogen kleurgloei van boomen. —
In wonder ongedurig spel, na en onder elke bui, goudde hèl de herfstzon, in 'n zilveren lichtdamp, overstreelend de akkers met vloeiend goudlicht. —
De verhallende laantjes van Wiereland, volgemorst van goudbruinen bladerval, doorllonkerden in hèlzonnigen toover tusschen en om de saffierige pracht van 't afstervende groen, zacht doorvlaind, nattig, en teer van gouden schijnsels omkranst.
Als spelonken waar doorheen spuide een fijn-ijle damp van goud en rood, zoo gloeilichtten zacht de laantjes en bosch-brokken in den sprook-zachten, vlamkleurigen knetter van herfstbrand. — Laantjes in goud-verven, als kapellen waar 't heilige licht in-trilde, waar één gouden droomesprook in zachtsten tintenschitter legendeerde. Laantjes in doorgloeid bruingoud en rood, in glansen överstreeld van hel-meloengoud, trillend in 'n omvloeiing van magischen gloed. Laantjes in heilig rood; bladerenkransen in gloedbrons en kopering. en takgroepen in primitieve kleurselen oud-geel en purperig scharlaken, als op mantels van heiligen en bisschoppen.
En voorop, in Wiereland-Duinkijk de beukenlaan, met hoogen omgloei en statigen trots van de aangevlamde kastanjeboomen, diep in 't laanfond, in den groen-gouden en meloengeel uitbrandenden kleurgloei, verdaverend in pracht tegen 't beuken-