DERTIENDE HOOFDSTUK.
Gouden schijn brandde herfstig over Wiereland. Laatste Oktoberdag gloeide zacht, in wonder legende-rood; brooze zonnekoester, teer aanguldend 't groen. — Akker-wijd, in de teere pracht van purper en fluweelkarmijn, oranje en wit, goudgeel en zwartrood van dahlia's, doorwemelden de herfstbloemen de velden. En wijd-rondom, de zachte schitter en zilt-doorgeurde herfstlucht vlamde nog laat-zomersch aan, boven hei-rood kamgesidder van gladiolen en vurigen gloed van mombresia's. De hemel blauwde rag en zacht, koesterend verstovend warmte-wasem. —
Op de bollenlanden, in frisschen omwoel van akkers, hurkten de rooiers en planters, in zwaar gebaar tegen 't lage luchtblauw, met de felle blinking van hun schalen, den worp van hun bollen in gebukten mandsjouw, op gekromde ruggen, bezond in den fijnen teeren schitter van 't licht.
Mestkarren van allen kant ratelbonkten over de paden, vergeurden hooizoet in de lucht, en de kaalgeplukte tuinderijen, met nog ׳wat opgroei van boerenkool, prij, biet en laat gewas, lagen rondom in groezelig geflakker van verlept groen, verstild en wijd in de herfstpracht.
Daar, achter de verdofte hagen, vèr, heel vèr, strekte de bronzing van omgespitte akkers, paarsig brons en terrakottig-warm in 't weeke, fijne, glans-uitspinnende herfstlicht, zonnige aarde-glanzing, wisselend in de goudbruine stapeling van gevulde manden, omspeeld van 't vlammige burrie-rood en den zilveren schalenfonkel.
Den laatsten Oktober draaide 't weer. De gouden dagen, in II. 28