427
— Main Gerrit! main Gerrit, je gain nie van je waif !
Ze schrokken allen. In maanden had vrouw Hassel geen beweging gemaakt, en in 'n jaar bijna, niet wat uit-zich-zelf gezegd. En nou, met stuipige krizis, stond ze, in toevloei van laatste zenuwkracht, rechtop, smakte ze zich op Ouë Gerrit met 'n vastzuigende hevigheid dat de agenten 'r niet konden losrukken.
— Helpt toch kerels, donderde de burgervader, die 't dwarse hinderde van die familie.
Piet schoot toe, en rukte z'n kermende moeder met 'r lévend smartmasker, nu bewust, waarin zenuwdolle oogen licht vraten, van den Ouë af, geholpen door de agenten. Ouë Gerrit wist niet wat ie zag.
Hij had plots z'n vrouw op zich gevoeld, zonder ontroering voor haar stuipige herleving, maar in angst dat ze 'm bedrogen had; dat zij alles wist. Ze had z'n kop gezoend, betraand, z'n lokken en baard vastgehouen, maar hij had 'r met z'n ellebogen mee afgeweerd.. Z'n eigen schaamte en sidder voor de boeien was verschokt achter den angst voor haar stem, haar loopen, haar spreken en herkènnen;.. dat ze zeggen zou. . dat ie spullen had.. al voor jaren. — Nou waa's tie 'r tug bai....
In laatsten stamel van angst, half-verstikt stotterde ie uit :
— Goan weg waif ! goan weg !.. jai weut d'r wie 'k bin.. sai is d'r daas, puur daas !
In hevigen worstel hadden de kerels vrouw Hassel neerge-bonkt op den stoel weer voor 't raam. Met 'n smak leek 'r bewustzijn weg te dolen. Ze staarde weer suffig. Doorgroefd van stom lijden geelde 'r kop weer in 't raamlicht. De kort-hevige zenuwkrizis was uitgebarsten, slonk. Op den stoel, zat weer 't ouë vuile wijf, starend, zonder gedachte, zonder wil, met idioten schuwen angst in de doffe oogen.
Burgemeester, koel-deftig, vond 't lastig, walgelijk volkje, beval hoog-officiëel den agenten te gaan. Ruw stieten ze den strompelenden Ouë Gerrit de deur uit op straat, waar ie van brullend knapengeschreeuw hoonend overstort werd. —