426
Er stond voor 't raam al wat popelend volkje, knapen en kerels, die de agenten met burgemeester hadden zien instappen, en gehoord dat ouë Hassel als dief op heeterdaad betrapt was.
Guurt smeekte den burgemeester dat ze den Ouë tegen den avond zouën weghalen, maar dat wees hij af, streng, koel-stroef, hoog-ofïïciëel.
— Dat zal niets geven meisje ! Iedereen weet het reeds in Wiereland, dat gaat als 'n vuurtje. Bovendien., met 't oog., op de driftbuien van uwe broeders.. wordt mijne verantwoordelijkheid grooter.. Ze zouden 'm kunnen dooden in drift., uitbarstingen.. neen.. mannen ! In naam der wet.. arresteert en., boeit hem.
De langste helmman, barre snorrebaard, rammelde z'n paternoster uit den achterzak, draaide in 'n striemenden kronkel, den zwaren ketting om Hassels polsen vast. —■
Ouë Gerrit sidderde, waggelde neer op den stoel.... half-wezenloos. Z'n gezicht kermde nu, afzichtelijk verminkt van schrik. —■ De boeien om !.. dat sloeg 'm in één neer.... Guurt gilde van angst en ellende, voelde dat 'r heel leven in één vermoord was.. de Ouë zóó op straat ! Ze wist niet meer wat ze deed van benauwing, woede, schaamte, beroerdigheid. Nou had ze mèt Dirk, den Ouë liever doodgetrapt, voor ie wegging. — Wat zou d'r galant van de sekretarie zeggen !
De twee agenten trokken den machteloozen ineengeschrom-pelden Ouë Gerrit óp van den stoel, die als 'n half-verlamde, wien de krukken onder de oksels zijn weggeslagen, tusschen hen bleef inhangen. — Z'n oogen schuin naar den grond, bang nog voor 'n nieuwe ranseling van Dirk of Piet, in martelenden angst, schrompelde ie mee, de morsige, bevende, steelzieke handen opeengewrongen, verkrompen in den boei. — Piet keek 't raam uit en Guurt schreide weer. Alleen Dirk met wraak in z'm kop, keek naar den Ouë minachtend, woest, alsof ie 'm met één vuistslag wou neerdollen. —
Plots van 't raam, in zenuw-snellen tred, sprong 't lijf van vrouw Hassel wèg, stortte zich op Ouë Gerrit in 'n kreetsnik, en in krizis-stijging van éven oplevend bewustzijn, gilde ze, razend :