422
kamer ingestapt, waar 't duifke in 'n duister hoekje droef te koeren zat, de politiemannen achter 'm aan, in zwaren stap. — Hun helmen glommen onrustig-officiëel in 't dood-suffe doorstoofde vertrekje, waar alles weer turvig en duf rook, en door-de-weeksche wanorde rondrommelde. Burgemeester zei wat officiëele magistraatswoorden tot de knapen en de bevende Guurt. — Achter elk traag-gewichtig uitgesproken woord, dat hangen bleef in de stilte, groeide angstige beschuldiging, tiktakte de groote staartklok, droefde gekoer van duifke, als treurend in ontsteltenis over z'n baas. Tusschen de koperen slingergewichten zat ouë Gerrit klankloos-idioot te murmelen, de handen meewarig beverig op de saamgedrukte smalle knieën.
Langzaam-officiëel, strak en magistraatsch-doordringend draaide de burgemeester zich naar ouë Gerrit om, en vroeg of hij, Gerrit Hassel, bekende te hebben gestolen op den ochtend van....
— Joa.... Joa !" angstigde de Ouë....
Maar magistraatspersoon deftige voort, en ook ter verklaring voor 't gezin niet wetend, dat de fotograaf en getuigen, vóór hem er al geweest waren, — begon ie gewichtig en ernst-zwaar het relaas voor te lezen, door de getuigen en van Gooyen bijéén-gesmonzeld, en onderteekend sis aangifte. —
Ouë Gerrit luisterde met bange verdonkerde oogen, en sterker overstormde 'm de angst dat ze met één, op al die aanklachten, huiszoeking zouden doen ; dat ze al z'n spullen zouden vinden, dat ze zouden zien, de dure bollen, en aan alles bemerken, dat ie al heel lang gestolen had, als 'n sluwe gemeene dief.
Burgemeester was met ernst-doorklankte stem aan 't lezen, de glimhelmen der polisie achter 'm aan, dat Guurt dacht te sterven van schrik, en de kerels in ban van hevig ontzag, stomden en versteenden van ontroering.
Guurt voelde „politie" in huis, 't ergste, bangste, dacht ze, dac er bij fatsoenlijke menschen ooit kon gebeuren. — Ze rilde, schreide, en kermde en zuchtte als 'n oude hond. — Als burgervader, heel-deftig zei, dat men Hassel voor den braafsten man van Wiereland had gehouden, kreeg ouë Gerrit 't stikbenauwd, pinkelde 'r nog nattigheid in z'n roode uitgehuilde oogen; wou ie al z'n dief-