421
Wiereland was geweest; dat ie met de boonenstorm weer ontzaggelijk meelij met 'm had, 'm helpen wou, bijspringen, maar dat er te veel wantrouwen bleef, en ie 'm eindelijk op heeterdaad kon snappen. — De fotograaf zweeg, keek de twee strakke wit-bevlakte metselaars aan, die al maar knikten. En weer suisde ontzette stilte in. — Nou werd 't den fotograaf te bang.
— Nou jonges.. ik moet weg, mèt de ■getuigen. Wij worden straks nog eens gehoord, op 't stadhuis, in tegenwoordigheid van je vader.... Wij magge niet langer hier blijve.. 't is goeiigheid dat ik hier kwam om jullie nog eens in te lichte ; de burgemeester is strak ; die zegt niet veel,.. nou.. ik zal gaan hoore ! kom manne.. wij gaan ! —
Fotograaf Van Gooyen, z'n nerveuse kleffe handen onrustig langs z'n grof-geruit pak smerend, niet wetend hoe ie 't had met de starende zwijgende stronkige knapen, die maar traag knikten, schoof naar 't voordeurtje op straat, was blij dat ie 'r met z'n getuigen ongeschonden uitstapte. Aan 't begin van 't weggetje zag ie den burgervader al met twee agenten. Ze hielden stil voor 't deurtje van Ouë Gerrit's woning, treuzelden weer voor 't raam waar vrouw Hassel zat. De klinkbel ver-rammelde schelle klankjes. — Piet maakte open, beefde plots van ontzag voor de vlak-bijë deftigheid der glimhelmen, achter den strakken ernst van burgervader, nü magistraatspersoon. — Burgervader, uit de hoogte, met strak gebaar, zei wat mee-doogenlooze woorden van inlichting tot Piet, die bleek, verbouwereerd, op z'n paarse kousen hun vóórschuifelde in 't vunzige gangetje, naar de verstilde woonkamer. Alles ging zwaar-deftig, zwaar-gewichtig en officiéél, met strakke gezichten. Burgervader kende de Hassels als rumoerig volkje in z'n stedeke; had 't noodig geacht streng te zijn, en zelf mee te stappen om direkt te kunnen arresteeren. — Anders moest weer bevel van hechtenis meegegeven, als de Ouë niet wou gehoord worden, was er gevecht en tegengestribbel van de stoere vuist-knokige knapen te wachten. Bovendien maakte ie, — daar 'r geen kommissaris was in Wiereland, hij wèl hulp-officier van justitie, — graag vertoon van z'n glorige macht. Burgemeester was de lage