378
de dag daarop stond ie al voor 't kantoor. Even beefde angst in 'm op, over 't goud potlood dat ie destijds zoo netjes van 'm gepikt had. Maar dat gevoel zakte weer. De kerel had nooit iets gemerkt. De klerken hadden 'm achter 't hekje geroepen en bij den notaris aangediend. De grijze familjare man, die dolgraag voor aristokraat doorging, begon, toen de klerk weg-stapte, heel joviaal.
— Wèl Hassel, wat had je ?
De vraag ontshutste ouë Gerrit zóó, dat ie sip voor zich bleef kijken. Wa nou ? Zou die vent niet snappen waarvoor ie kwam ; waar de heele plaats vol was van zijn ongeluk met den boonenstorm ?
Hij stamelde :
— Jai menair de netoaris! 't is... sien u !.. van dit en van dat ! hoho ! de boonestörm !
— Hèb ik 't niet gedacht! schaterde ironisch notaris Beem-stra plots, dat ouë Gerrit de woorden op de lippen terugbeefden, — heb ik 't niet gedacht! de boönestorm, de böönestorm. Ik hoor van niets anders. — Verduiveld 't wordt 'n nachtmerrie! Boonestorm hier, boonestorm daar ! — 't Is om gek te worden. Intusschen wordt daar nu alles opgesmeten. Maar ik laat me niet bedotten.
Ouë Gerrit voelde zich nijdig worden en bang tegelijk. Op zoo'n ontvangst had ie toch heelemaal niet gerekend. Nijdig, omdat de notaris niet scheen te begrijpen, hoe 'n vreeselijke ernst 't hier was; en bang, omdat ie, bij 't begin al, zoo weinig inschikkelijkheid toonde. Hoe nou den rommel uit te leggen ? Hoe nou ? Maar notaris stond driftig óp, stapte heen en weer en dreigde luid met z'n zware aristokratenstem :
■— Hoor eens Hassel.... ik wéét wat je zeggen wilt, alles !.. Dat je geen geld hebt om je pacht te betalen, voor de Beek, voor....
— Enne.. veur de hypotheek nie.... enne 't losgeld nie !
— Wat ? schreeuwde de notaris, wat ? dan is 't spele met vuur, vader!.. Ik krijg nu al vier termijnen, dat mag, mag ik niet langer zoo laten, dat kan, kan ik niet langer voorschieten.