374
maar bij de meesten was er verlies van miljoenen boonen, 'n oogst vernieling die de naakte, zorg-zware pachtertjes inééns tot bedelaars maakte. Want niets werd vergoed, niets was verzekerd van hun waar.
Als 'n rouw, ging er stomme ontzetting en stil geween over 't land. Honderden arme kerels, met alleen pacht van brok grond, stonden geschonden ; wisten niet meer wat ze waren: bedelaars of baasjes, pachters of wanbetalers. Ze zagen zich al in November van 't land gewezen, omdat ze geen geld genoeg voor den landheer hadden. —
Na dagen nog, geweldig in grauw-triesten regenafdruip, lagen de akkers, in slagveldvernieling van gewas. — Over elkaar heen, één strubbel en splintering van hout, afgerukt verminkt groen, half al aan 't verrotten in de nattige brei en spoeling. —
De boonkoppen slierden als leeggevreten door kraaien, uitgescheurd vlechtwerk, tusschen de splinters van de rottende knub-bels. De late kapucijnders hurkten plat en dwarsgetrapt voor den grond, in vollen bloei geradbraakt. En onafzienbare rijen, snijboonen en sperzie lagen gestreken als 'n vies groen-zwarte mod-derzooi, kris-kras dooréén. Rondom, in 't morsige gras splinterden de gebroken frambozestruiken en besseboompjes, in klonterigen warrel, geknakt, met angstigen krampweerstand van gekneusde takken, groezelig verrottend, als doorbarsten nattig hout.
Na den eersten ontzettenden aanval van angst en drift, terwijl de bui boven z'n hoofd uitraasde, — en hij als 'n gekke mandril, holde, griende, vuistbalde tegen God ; vuistmokerde tegen alles, inéénkromp van waanzinnig schreiend-amechtig verzet, voelend de vernieling van z'n boonen als 'n uitrukking van zijn ledematen, scheuren en hakken in zijn eigen levend vleesch, — was ie, na nog ééne opbruising teruggevallen in nerveuze spraakloosheid. — Binnenshuis had ie eerst z'n vrouw dwars in 't gezicht gemept, Guurt gevloekt en gescholden dat ze zwanger was van 'n vuilen vent, en woest-schreiend op de kerels neergesmakt, dat zij de schuld waren van alles. Zij hadden 'm bestolen, en zij hadden dien luizigen Kees en Ant, twee kruisen, twee ongelukkigen in z'n mikken gehaald. Maar de kerels