373
paden neergehamerd, in kraak en ruk, kris-kas voor de wereld, zóó dat ie 'r zelf geen voet meer tusschen kon dringen. — In geweldige uitstorting van woede en angst, mokerde ie z'n vuisten naar den hemel, vervloekte God, den Heere Jesus, dat ze z'n oogst vernielen lieten; in dollen krijsch, zijn stemmewanhoop verloren en verwaaiend achter regenkletter en stormrukken.
Geen pad was meer te zien, tusschen de boonen. In één uur had de storm in zoo hevige verwoesting rondgemokerd dat de akkers onkenbaar verwoest droef den. — De knoestige rijzen en latten lagen geveld, gebroken, doorknakt, de hooge bloeipracht-boonen afgerukt en doorscheurd, de ranken vol jonge vrucht, steuneloos doorstrengeld, 't sap sipperend uit de wonden, kris en kras dooréén. Ingepiekt, gewond, afgenageld en geschonden in hun stronkige stevigheid, splinterden de rijzen op de paden, als slagveldwarrel waar regen dampend over heen grauwde. — Al 't gewas rondom lag vernield.
Ouë Gerrit doorzopen als 'n druipende schooier, z'n baard en lokken omzogen en harig-vastgeplakt op z'n groengrauw bleeke kop, was na krankzinnige uitrazing, en vloek tegen God, sidderend stil en bochelend-gekromd tegen stormhoozen in, z'n huis ingestapt. Z'n oogen keken niet meer. Er zat staar in z'n kijk van 'n gek die rondliep met wraak en manie, koeling zoekend overal waar 't op kon.
Twee uur had de verwoesting aangehouden. Toen was orkaan uitgeraasd, en stille ruischregen alleen zong nog na uit de stil grauwe lucht, laag over de akkers, in paarsen streepnevel eindloos vér, zangerig-stil van ruisch alom! De weggerukte hagen en struiken openden 't land met vreemde vergezichten, onkenbaar geschonden. Angstige stilte van hevige ontsteltenis ging er over Wierelandsche werkgroepen. Niemand van de tuinders die durfde zien, zién de volle schade van 't dolle weer. — Na dagen pas kropen ze bijéén, de kerels.
Op hun koppen vrat vloek-razernij in, grimmige verbittering. Met ontsteltenis-stemmen jammerden ze óp, vroegen ze elkaar wat bij die, en bij dié, de ״boonenstorm" had uitgewerkt. Eén, in beschutten hoek, leek er wat beter afgekomen dan de ander,