Menschenwee, Derde boek, Zomer

Titel
Menschenwee, Derde boek, Zomer

Jaar
1903

Druk
1903

Overig
1ed 1903

Pagina's
456



3öi

terde doorgroefd voorhoofd bewoog nerveus, en 'r brauwen zenuwden in trilangst. — De Ouë, in 't verstilde kamerke jubelde vóór d'r uit, zonder dat ze besefte wat er gebeurde. — — Twee prachtige nikkelen dompers, 'n heel stel koperen vruchtevorkjes, op rood-satijn, er in gegleufd ; twee kleurige kandelabers, 'n nikkelen wekkertje, 'n rooie doos met spullen d'r in, zonder dat ie wist waar ze toe dienden; maar 't had 'r prachtig staan glimmen, met aldegoar gouden slootjes.

't Roode satijn streelde ie duizend, duizend maal. De snoezige vorkies prikte ie in de lucht, als 'n dol speelsch kind. Die had ie met overweldigenden greep, aarzelenden angst bemeesterd, bij 'n bloedig vechtpartijtje. — 'n Dronken kerel, had z'n mes getrokken en met genadelooze armzwaaien, woest om zich heen gehakt, al maar krijschend dat Jaap de klapbessen-dief was, en niet hij ; niét hij. Drie lui had ie al gewond, 't Was 'n dol geschreeuw geweest, gegil van ontstelde meiden, toen plots 'n artillerist, den vent 'n mep op z'n pooten verkocht, dat 't mes uit z'n klauwen viel. Maar d'r bleef dolle opstuivende amokangst onder de kermisgangers, grillige paniek, drom van opstandjes van al soorten menschen, rillend voor 't staal; menschen die elkaar in egoïstischen angststuip knellend verdrongen. Vlak bij 'n groote verkoopkraam hadden ze den dronken woesteling neergekieperd, met z'n roggel-kop tegen de keien. —

De agenten met artillerist, zelf half-dronken, boeiden 'm toen de woesteling was begonnen te trappen, en te razen voor tien dollen te gelijk. —

Op d&t oogenblik was de Ouë, de groote kraam ingehold, van achter met 'n klinkdeurtje openend. En pal op de vorkies met hun rood satijn had ie aangegrepen, 't Was 'n dolle waag, dat wist ie, maakte 'm zwaarlam van bang-hevig genot. Op 't moment dat ie instapte, voelde ie zich stikken. Z'n adem bleef wèg; hij keek naar niets. En in ziedenden wasnzin toch, stir, deed ie wat ie moést doen. Hij wist wel, klaar, dat ieder 'm kon zien gappen; de juffer, de helpstertjes allemaal. — Maar 't kon 'm niet schelen. Eenmaal bij de glimvorkies, koortsgloeiden z'n handen, jeukte 'n brand in z'n polsen, en snel, halfstikkend,

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.