355
en spullen, ruiten en palen, een kleurengloed af, zoo vlamde en helvloeide 't licht plots op de natte keien. —
Aquarellige gloed glimmerde rond in vurige plassen paars en goud. Plots boorde felle doof van rossige stalletjes donk're gaten in 't kermisland. Heele straatbrokken duisterden, en keien-vuur verdween.
Van alle kanten zwaaiden stemmenstoeten weg in 't donker, de laantjes om tuinderijen in, en polderweg óp.
Onder de stalletjeslui ging snelle pak ; gekraak van beoliede doeken om duistere karbrokken. — Soms, met 'n glans van voorbijhossende toortsendragers nog överschroeid, rossigden zwoegkoppen tusschen geraamtewrakjes en zeilen óp in den nacht.
Klagelijker en kermender steunden de orgelstrotten, verzwakkend in gerucht. Heele stellen reden weg 't grasveld óp, waar de kermiskarren eindeloos triestten in polderstilte.
Half drie en nog zat Dient je Hassel te bibberen achter haar oliedoek met gloeislaap in d'oogen.
Ant was 'r komen halen, al kon ze van ellende en zwakte nauwelijks op 'r beenen staan. Ze snauwde dat Dien maar 'n gulden meer had gehaald dan Zaterdagavond. Dat had ze heelemaal niet verwacht, gromde ze. —
Rillig verbibberde Dient je wat tegen, met slaapduizel in de oogen, de ooren vol schetter en dreun nog, 't kopje gerammeid van voorbij duivelende herrie. —
Zelf had ze maar één oliekoek gehapt, omdat ze niet meer durfde nemen voor Ant. En wee, verrild, stapte ze achter de stomme moeder de Baanwijk óver, naar 't Duin. —
Plots zwegen al de orgels, doofden de voetstanglichten van kramen en spellen. Overal duisterde dieper de nacht.
Dronken gerucht van verren enkeling viel nog ontzet tusschen de nachtstilte. Dreunklank was verzwolgen en ker-misgloei weggedonkerd tot valen opstand van tent-duisteringen, en grillige ópstaande nacht dingen. —
Van de stille Wierelandsche straatjes rauwden soms nog óp, krijsch van vechtenden in 't donker, moordachtige angstgillen