354
één hos ging om, de helsche menschenren trampelend ten dans, dans van kleurige schimmen, donk're en bevlamde rompen.
Adem van al de lampetten, al de flambouwen, adem van al 't licht ; 't gouden, 't rood-woeste, 't ros-gloeiende, 't wond're gele, 't fakkel-bronzige, 't elektrisch paarse, 't vuur-oranjige en doorsmookte van vlammenovens, — steeg daar uit, als 'n helsche demonische hijg, boven de kermishaven. En door 't licht-woeste fantastische geweld, scheurde de hinnekende jool van waanzinnige zangers, verbeefde de hossende trampeling, groeide de massadreun der stoeten tot muiterij en opstanding van gedrochten, vluchtend uit 't hellevuur, omkronkeld van weerlichten, jankend van pijn en gemartel. —
Rood-bang verflakkerde de zwartige walm door de dampende diepte, de brandende luchten en de kleurwond're lichtsferen. — Zoo, als één adem van dierlijksten gloei, als één wolk boven ,t kennisland drijvend, koortste de ziedende passie van de zingende meiden en kerels óp, schroei van hun zinnen, brand van hun lijven.
En ontembaar spoten ze hoog uit, den nacht in, hun satansgetier, hun moordende driften, in den helschen fonkel van 'n heelemaal-zich-geven ; doorsnikt van rauwe uitzinnigheid. En samenbrandend mét de lichtkoorts en 't vuur boven de Haven, sloeg hun zwoel-hevig begeeren door den ontzettenden nacht. In omneveling zonk uit, de sfeer van avondgoudlicht, verkraterd rond de krochten, zengend den demonischen hemelbrand van nachtkarneval.
Doodstil lag de polderwei in den spokenden nacht, éven maar buiten de kermishaven.
Laat in den nacht hokte de roode walm-adem van duizenden lampetten op zuurkarren, paling en oliekoektentjes.
De regen had de keien beglimmerd en in pracht-vloeiige schijnsels sloegen de fakkels en pitten hun gloed tegen de straat óp. Onder de hossende beenen nu vloeiden goudgeel vuur en paarse zeeën, fel en golven uitspoelend, wijd om. —
Als droop van fagaden, lijstwerk en spiegels, van daken