353
Naar 't uitgestorven polderduister, weilandennacht in donkeren rustadem, verwaaiden vage zangkreten en verzwakte hurrie van afgedwaalde kermisgangers. —
Dronken kerels, lamgebeukt en uitgebraakt, lagen bij bruggetjes, dammen en aan slootkanten, dwars in 't duister te ronken of te grommen, te spartelen of eenzaam in de eindloosheid te razen. — Enkelen hingen half ingezakt over schering en prikkeldraad, kallend tegen den nacht, godlasterend en vloekend, de beenen gewond, en de handen gescheurd in 't piekende ijzer, duistere geradbraakte en lamgebeukte verschoppelingen, in delirium-angst of stomme onmacht. —
Van den stil-starenden donk'ren polder af leek de laat-nachte-lijke kermis 'n krochtendrom: een in vlammen neergestort brok hel op aarde, hellekrochten en mijngangen, fantastisch-woest doorzwaaid van goud-gele en rood-oranje walmende flambouwen. Heel 't karnaval lag daar als vuurbrakende holen, waar zwart-roode, paars-rossige en groen-gele schimmen op trillende, achteruitdansende en weer naar voren kruipende achtergronden van vlammen en vuur kaprioolden, in ren en kannibaligen woesten hos.
Van den weipolder af, gebouwden heel vèr, de hel-beblakerde tenten, en bevlamde spullen, de zwarte ruggen verneveld in rood-paarsen nacht. In woestkleurige pracht lag de kroch-tenstad daar neergebrokkeld, verzonken half in vuurzee, om-likt, omkraterd van licht en gloed ; dobberde en deinde daar van vèr de infernale woel van voorthollende waanzin-blinde amokmakers in al wisselender hel van schijnsels.
Orgeldreun en roffel waaide vertemperd den weinacht in, verklankte vaag in roezemoezigen warrel van valsch geschetter. —
De hooge toortsen van Jutskoppen en ommegangers, de lampenflikker goudhei, van molens en spullen, vervlamden demonische orgie de polderstilte rond.
Als één adem steeg óp zwijmel en brandende passie van duizenden, boven de lichtene krochtenstad ; als één adem vervloeide de zwavelig groen en goudrood doorgloeide nevel. In II. 23