347
Schuiere mot je maar.... Schuiere mot je maar Van je heeloè... heeloa hophophop sasa !
Monden wijd open als muilen, bewegend-vreemde holten waarin 't geelroode licht groef en roode tongen woelden, krijsch-ten ze den zang mèe, in rauw-beestigen bral. Met de glaasjes in de hand, fonkel-kelkjes als roode en gele prisma's, waarin prachtlichten brandende amber en gouden champagnegloed, zwierden en kankaneerden ze in 't rond, harkerig en botsend in 't enge holletje ; trampelden kerels en stampten meiden, dat één dreun daverde en raasde door 't smookhol; walmende brouwketel in tooveiigen dampgloei en grillige tinten, diep-sferig omgoo-cheld in demonische pracht. De gala-chanteur zang-sprak méé, schor; liet refrein over zich heengolven als 'n kolk vlammende lusten, waarin z'n ironie grijnzend voetplaste; zette dan langzaam, hoog-komiekerig gebarend weer in, 'n nieuw koupiet. —
Er door hèèn rauwden al meer stemmen, klodderige geluiden ; geluiden van jankende zebras en huil van wilde ezels ; stemmen van moe-gemartelde venterskelen ; rochelende, halfbe-zwijmde en dol-vroolijke ; hinnikende en nijdige, huilend en zingend om zuipsel. —
Uit eng-morsig buffetje schoten telkens menschen toe, om sneller te helpen. Weer stormde in raas en vaart, verfomfaaide hoed-verdeukte kerels- en meidenstoet in, trampelig neer-smakkend op bankpunten, of in valzwaai schietend op schoot van vreemde kerels en wijven.
Hazewind had bij 't losrukken van stoelen uit 'n hok, 'n chokolade-automaatneger zien liggen, leeg en ongebruikt. Een krulharig grinneker was 't; alleen romp en kop, in roodbelakt wambuis, waarboven wandrochtelijke tronie grijnsde.
In één ruk had ie den automaat bij z'n rooden romp opge-vischt, stormde hij er mee in den meidenstoet van Grintjes en vreempjes. Als 'n wijf had ie den halven neger zinnelijk-pot-serig in den arm gekneld. Z'n eigen neus had ie met 'n bonk biljartkrijt piassig verwit, en woest danste ie 'n neger-