346
volkje gedrongen had, en Cor, de stille Cor, lag half in zwijm in de armen van 'n rossig besnor den vent, zonder dat ze recht wist, hoe ze aan 'm kwam en wie hij was.
Henk en Hazewind joolden en Rink zat met de blonde furie Marie op z'n schoot. In hun handen beefden jeneverglaasjes, die bij eiken woestbrullenden krijsch van Rink, weer gevuld in de vingers teruggekneld werden. Met 'r beenen, zat de blonde furie tegen 'n bankrand geduwd, 'r onderlijf naakt gewoeld.
Koortsig wellustig opgehitst in den ziedenden stemmenkook en rookstank om 'r heen, schuurde ze zich tegen Rink's borst, haar kop op zijn mond vastgezogen, haar gouden haardos losgekarteld in z'n gulzige knelarmen. Half tusschen z'n beenen uitgezakt, in kanaljeuzen zit, drukte ie Marie achterover, zoende 'r woest in den blanken wellustkuil van dampenden hals, omfonkeld van kraaltjes en praaltjes. Haar beenen slapten al hooger den bankrand öp in zinlijken tuimel van d'r bovenlijf. Uit haar rokken zwoelde 'n heete walm van kermislucht, 'n anjelierige gemeen -zoete patjoulie, en 'n trillende hysterische zwijmgeursel steeg uit 'r halfnaakten boezem.
Haar halskraag had Rink losgescheurd en bevend vampyrig z'n gulzigende smakkende lippen in boersche passie er op vastgezogen.
Ze snikte naar ademhaal en 'r heete borst hijgde of ze sterven
ging•
Hun passie doorvlamde 't goudroode walmende zanghol in 'n zwijmelende erotiek, 'n beestige bronstigheid, en woest de paren omhelsden elkaar, bij 't gierende toejuichen van Rink's en Marie's dierlijke vrijage. —
Door den geel-rooden rookmist verklonken de zoenen als zuigend geslobber. —
Achter 'n deurtje uit, kwam plots 'n gala-meneer op 'n paar waggelende plankjes staan, vóór de piano, 'n Kerel roffelde 'n preludiëerenden deun met pieperig kermende tusschen-klankjes. —
Chanteur viel in, zang-sprak 'n dubbelzinnige mop met krij-scbènd refrein :