344
krijschte Geert in Piet's oor. Piet waggelde op zij, jeukte z'n oor uit waar de meid in geschreeuwd had. —
— Soo ! soo ! snurkert, snaiboon! lummelde Willem mee, die in dronken ronk als wezenloos wegzonk, en alleen opleefde in vlaag van heftige jaloezie op Dirk.
De meiden gierden en toeterden met hun allen Piet den naam van z'n zus, scheepsroeperig oorholte in, dat ie z'n dronken kop machteloos hangen liet op z'n borst, en als 'n pasloopende drenkeling slap heenwaggelde tusschen de vrijsters in.
Toch, onder dien jool, zat haat tegen Guurt, gekrenkt gevoel om 'r sluw wegsluipen van hun stoet. —
Regen bleef zacht spatteren, en heete nachthemel, besmoezelde ze nattig de tronies en handen. Bij hoek-omslaan van Beeker-weg kregen ze, in lampschijn, gloeiend café-chantant van Dies in de gaten, waar hun rauw gezang uit tegemoet waaide.
In woeste passie, hossend en tamboereerend met de knuisten op eikaars lijf, sliertten ze de laag-doorsmookte kroeg in, stank-walmend van jenever en ziedend van stemmenraas, lichtkokend in geel-rookig damp, vochtig van gloeiingen als 'n reuzige brouwketel.
Plebspubliek krijschte ze welkom toe. Over zwarte banken, vol vuil, smeer en dranknattigheid, sprongen ze naar plaatsen, waggelden, wat niet meer op de banken kon, op stoel en kruk, uit 'n hok, achter 't buffetje, aangesleept.
De meiden smakten zich neer, naast elkaar op de banken. Geert plakte óp tegen 'n stomdronken onderofficier die 'n fletse wit-harige meid zat te zuig-zoenen, zonder dat 'n spier van 'r gezicht vertrok. — Na iedere slobberige zoenbui, veegde ze strak, vlakhandig 'r wang schoon, koelde 'r steenharde blik voor zich uit. Vóór Geert drong 'n ouê kerel öp die schorrig stoethaspelde, en al maar wees op 'n man in den hoek, waar de onderofficier zich voor moest wachten. Tartend teemde z'n dronken mond : — Sien ie ! Sien ie ! daa't is.... is.... nou main soon !..
die.... die knakt____jou----en en----en----en____en..
de heule wai... aireld aa's worst! hee ?... aa's die d'r goè.r...