340
Rink voorop, de blonde Marie met 'r roodgezwollen tronie, aan z'n lijf vastgezogen, mee. Op straat gierde de kasteleinsmeid Pijler, dat ze 't café-chantant inmoesten. Dat werd in schallenden schater beklonken.
Zangkrij schend kom-kerlinekens, zeilde door regenende duisternis, 't stoetje van twintig 'n zijweggetje af, dat stil donkerde buiten kermiswoel.
Plots, over Baanwijkbaan ging angstige vlucht jacht van duistere menschenstoeten, naar één plek.
Brandklokken alarmden in angstigen bimbam, klankgalmen van steiger enden nood sliert end, dwars door den demonischen jubelnacht.
Achter fakkelflikkering, hoog tegen paardenspul, sloegen rookige vlammen öp uit 't duister.
— Brand ! brand ! schreeuwden ontzet de stemmen, rauw en moe, schor en angstig. Woeling van donkere massa's, van 't duister telkens in lichtgloei, roezigde in stille aarzelende op-roerstappen en geschuifel naar 't eind van Baanwijk ; zwol één in trappelenden hakkendreun en lij ven woel tot angstig revolutiegerucht ; rumoer, dan donker als onweergrom of aardbeef-schok, dan hél en lichtend in toortsbrand van kermisjoel.
D'avondklokken beierden door, in rood-angstigen galm, en de brandende damp boven de kermis, gloeide éan, oranje-rooder, banger, in rook en vlammen.
Rink, Marie en 't heele stoetje waren in opwinding gekeerd, en ieder z'n meid vastgekneld onder den arm, sloegen ze op hol in den schrik, juichend van duivelige emotie, dat 'r eindelijk iets benauwends gebeuren ging. —
Boven 't paardenspul, stonden twee groote gebogen grillige haken in gloedschijn als roode valken.
Klaas Koome holde voort, z'n buldoggenkop gezwollen van pret en z'n bijt-bek nijdig naar voren gewrongen. Annie en Cor sleurde ie mee aan z'n armen. —
Hij gierde :
— Kaik! doar loopt 'n klodder maide, hullie aige d'r stain-dood____ ikke konsteteer van da je op da terain mit die brand-