339
gen en kanaljeuzige dansholletjes vol, mistig-geel doorvlamd van hel petroleumlicht. Moffen en blazers tierden. Piano's roffelden er; pauktsjings en krijsch raasden verdoovend rond in de walmende krotten. En geschreeuw uit honderden kelen braakte de straat op, dreef af weer in de kronkelgangetjes.
Heete bakstanken en walgelijke vetlucht van gesmolten reuzel doorzuurde de lucht en knetterende vuren van verflakkerende bakovens vlamden achter enge steegdieptetjes, tegen polderlucht, in 't zacht-regenende duister, als kraterende grotten van bacchanten, waarin donker en begloeid, razende wezens rond-kaprioolden. —
Kleurige worp van lichtgloei bleef kaatsen om menschen en spullen, en wisselglansen verallegorieden in trillende diepte de bange realiteit van hossers en zuipers, in tooverig koloriet van fantastische prachtgeheimenis.
Goud-gloeiing, rembrandtiek-diep in tooverwild begloord amber en bronsgeel, trilde op roestige muurbrokken als lichtende helsche zwammen. Levende fosfor kroop op hekken, kleine klinkdeurtjes van huiverend-stille krotjes, verzakt in halve duistering van nacht-zwart. —
Pompen en slingers donkerden reuzig tusschen boomen, en in al zwarter damprood bacchanaalden de schreeuwstoeten met gewonde lampions en knetterende pekfakkels gillend door de wijkjes, in trampelenden warrel van beenen en rompen.
Willem en Dirk hadden de meiden meegesleurd naar 'n krottig danshuis waar ze 'n uur in vagevuur-hitte verschroeiden. In storm waren ze 'r uitgevlucht, natgezoend, verslobberd, be-grabbeld; de rokken afgetrapt door de beestkerels daar. Rink had 'n Lempenaar halfdood geranseld omdat ie z'n blonde Marie aan de rokken had gegrepen in woeste passie, zonder'r los te laten.
Met bebloeden kop had Rink 'm achter 't buffetje gesmakt. De vent lag 'r te krimpen van pijn, met uitgescheurd oor en bloedneus. Met één bakelaai had Rink 'm z'n mes, waarmee ie steken wou, uit de moordklauwen geslagen, en nou lag ie daar, rampzalig vertrapt en bespogen door de joelbende. —