338
Heeter hitsten de Jutsmeiden öp en telkens zwaaide de reuzige moker de lucht in, houweelde duisterend 'n rossigen glimstreep door den flambouwenflakker, dat banger de oranjige sfeer, kerels, mokeraars en meiden ombeefde. — Al meer tronies, achter elkaar opgestoet, schemerden aan in den hamerkring, de heete oogen gericht op de waggelende cyklopen, die doordreunden en beulden onder de brandende lucht.
Elke ronde betaalden de meiden voor hun galants. Maar Rink, Rink de neergesmakte reus, had de mokering 't langst uitgehouden, 't meest en felst verknetterd. In woesten sprong smakte de blonde Marie Pijler, met de schittermedailje, ja-loersch uit de handen der kanaljemeiden gerukt, op Rink, die brakend te vloeken lag in kraampjesduister. Als 'n bezetene zoog ze 'm den vloek-mond dicht met brandende zoenen, smakte 'm den hals vol, gilde en raasde dat zij en niemand anders dan zij hèm hebben most.. veur de heule kermis.
— Slaat 'm dood! Semperleen! Kitsener! krijschten de Jutsmeiden weer achter den wijkenden stoet Hassels en Grints aan. De kerel bij den kruithaak onder de fakkelende walming, liet loensen z'n muizentronie, vertrilde z'n begloeide oogen gretig naar 't bezopen volkje, dat de kanaljeus-lokkende boezelaarsmeiden vingen met d'r zinnestreel en hitsenden roep. —
V.
Uit de kroegen en danszalen op Baanwijk en Haven stormde in en uit, heete woelzee van hurrie, getier van uitzinnige meiden en kerels. — 't Was zacht gaan regenen en vóór de wilde-vrouwtent en de panorama's er naast, droefde treuzelige leegte. Kerel op estrade, melodramatiekte wel met z'n stem, naast'm overschreeuwd door den eigenaar van 't ,,gruufelekst seemonster", maar 't bleef 'r vaal voor de tenttrap; de stoeten hosten voorbij zonder te luisteren ; de regen spetterde door het droeve ros-gele lichtgeflakker van wat magere flambouwtjes.
Als broeibakken,omgloeid van kermiskoorts, rookten de kroe