334
in heete zinnedrift smakten ze zich op de mooie Jutsmeiden.
Pal boven hun koppen en kleurmutsen dampte nu hèvig de brand-roode luchtnevel, van die plek uit, over de heele Baan-wijk rondschroeiend. De boomen in den damp aangeverfd, leken reuzige monniken in barsche pijen, stil gebogen boete doend, er door Satan neergestold in krampig schuw afgrijs-gebaar. —•
Voor schiettent lawaaide 'n spullebaas overschreeuwd door eén van panorama-mechaniek, en die vent weèr in stemmen-worstel met somnambulen-wijven en kinematografen-eigenaars.
De Hassels en Grintj es, nu weer achter het trampelende boe-renstoetje, vóór de Jutskoppen uitdringend, wouen wel slaan, maar dat beviel Guurt en Geert niet. Dirk en Rink slurpten limonade voor 'n gebakkraampje, waar 'n bleekgeel mopssnuitig juffertje, goud-bekapt en fleurig gesjaald bediende. In vroolijken fonkel rijden daar de glaasjes limonade wijnrood. — De meiden moesten toch ook wat likken, en wankelig keek Dirk in z'n portemonnaie onder 't gele licht, of ie den bodem al zien kon.
— Dat is vijf te min meneer, sprak koel verkleed juffertje.
— Vaif ? vaif ? wa helhoak vaif____ daa's glad-en-al-mis
spotte ie 'r lachend uit.
— Daa's net! Sai hep d'r drie lait.... enne.. de maide tien.... enne ikke twee.... en Rink.... enne Merie.... daa's kaike !.... daa's...., rekende verward Willem mee. —
— Drie.. drie, gierde in dronkig heeten bulder Rink.. nou-mins.. de sel d'r salderemosterd g'nog sai'n hee ? jai smoort... smoort gain wolf an je borst hee ?
— Waa't d'r nie is betoal jai sellefers moar medam, lachte Dirk weer tegen de nijdige mopssnuitige juffer, — of aêrs komp 1t vast bai 't huurtje t'regt!
— Daa's net... debies! roggemegochel! juichte huillachend Rink, 'n vuist bonkhamerend op de toonbank dat 'n rilling door de vonk-roode limonade ging, en 'n rinkel door de glazen. —
Met 'n woesten krijsch plots was Rink tusschen 'n aanzwierenden hostroep ingesprongen, sleurde dwars door haakarmen van meiden en vloekend-onthutste kerels, zijn Grintjes en Has-