333
Daarachter, de eindelooze poldernacht, ruisch-stil en starend geheimzinnig. Telkens uit andere hoeken van Haven schoten vlammen öp, doofden weer wèg in nachtzwart, en soms, uit 't stikkeduister joelden in moordende geruchten stoeten aan in bengaalsche hel.
Als paarse nacht openbarstend, waaruit goud-roode stoeten-brand fantasmagoorde, en kleurschaduwen ijlden, zóó sidderde 't bengaalsch licht aan over huisrompen, boomen en wezens.
Menschentronies in bijtende helheid grijnsden naakt onder dien vuurgloed. Telkens ander licht laaide op, in wond'ren groei; paarsrood dat sidderde en huiverde in schrik van helheid ; violet dat brandde en verschroeide wandaligen kermishos; en groen-fosforizeerend vuur, met infernalen beef-weerschijn, huiverend in woeste glanzing 't stedeke overlaaiend, of Satan verderf-adem uitblies door heel 't dolle kermisbachanaal. Krijschjubel verklonk bij eiken nieuwen kleurenbrand van de mombakkesen, de lijk-groene, de paars-helsche, de rood-huiverende.
En telkens verstierf de gloed in 'n trillende duistering.
Dan vèr, in oranje pracht, om zwart van nacht, vlamden na, lampions en flambouwen, walmend en zigzaggend door 't duister als 'n oproer van hellebardiers. En wreed, over de wond're avond-hel van kleuren en tinten, over afgronden van duister diep en gedempt gloeisel, stormden de orgelklanken, raasden de mannestrotten, heeschten de vrouwekreten, ontembaar, doorschroeid van passie. Geslagen in razernij, renden de stoeten weer her en der, in kruis en warrel, van den starenden angst-nacht in 't vlammenlicht, de Baanwijk af, Haven óp, Haven af, Baanwijk öp, in daverende hiha's en hos, verhijgend in barstende opwinding.
Waanzin-beweeg trampelde 44n met de sputterende boertjes, en als 'n verzinnelijkt Hosanna schreide hun beestige krijsch door de brandende lucht, verzwaaiden hun flesschen, en ver-rochelde 't onweer van hun ronkende falderahee's. Bij den hoog-walmenden oranjigen gloed van wat Jutskoppen bleven ze weer staan. Bral en krijsch martelden los uit hun strotten en