329
Met 'n krom zwart zwaard hakte 't ,,meiske" in driftstuip op den kerel aan, die haar ophitste met stootende tongverdraaide woorden, en eiken kletterslag op z'n blooten kop, met z'n groot zwaard, in snelle zekerheid afweerde. Stank broeide er uit de menschenprop op in 't halfduister. Allen staarden in ontzag naar den grijnzenden duiveligen vrouwekop op tooneeltje, waarover 'n zwavelige lichtschemer flakkerde, d'r gele oogen nog geheimzinniger verwoestte.
— Dat is gain maid, f'rvloekt ! schreeuwde plots 'n matroos. Nou heb ik tog twintig joar gefare moar nooit-nie he'k soo'n loeder sien.. dat wee'k tog ellendig-best.... daa is.. god-alle jesis ! 'n gefèrfde Amstirdammur !
Ontzet publiekje liet grommen den kerel, staarde, staarde in bange suggestie. Bij 't levend konijntje verorberen werd 't Annie te benauwd. Ze rilde en griende toen ze 't bloed over de zwart-bronze handen zag stroomen ; de tong hoorde raspen tegen de haarhuid öp, den kinnebak zag lekken in 't warme bloed, en de apig-lenige vingers de ingewandjes ingraven. —
— Kaik ! kaik.. da stuipt d'r in hemmes klaufe, gierde Dirk woest, die ken d'r puur 'n bairtje slagte!
Meisjes en vrouwen vergilden kreten van afschuw. Maar doorschokt van brandende passie, bloeddronken, drongen Dirk en Rink nog meer naar voren, de meiden heet er omknellend en meesleurend.
De furie Marie Pijler schaterde. Geschok en getier raasde door 't tentje.
De roode, bang-begloeide tooneeldoeken, waartusschen 't kangoeroesche grijnswijf sprong als 'n hellemonster in Vitusdans, schroeide telkens aan, in den lichtflakker. Onder 't vreten rimpelde 'r kop als 'n oudwij venmasker ; groefde en grijnsde de wellustmond. — Bloed lekte ze van d'r vuilgrauwe lippen en brok voor brok van 't uiteengescheurde konijntje verdween in den stinkenden bloedmuil, geweldig elastisch en rood-groot gesperd. —
Guurt griezelde, genoot in schokken van huiverenden wellust. Ze zou zich zoo, in die bloederige beestigheid best op Rink heb