3i7
pijpten de beenen in wilde harlekinade, en d'r kleurige zondagsche plunje, oranjerood met d'r vieren, vervlamde in 't fakkelgoud, overal waar hun hos langs schoot.
Donk're kerelsstoet zeilde schuin af op kleine boertjesrij, haakte zich vast aan armstompjes en snel in kringloop cirkelden ze zich wijd om de dronken gillende meiden, die schaterend-woest zich plots ingesloten voelden. —
Boerenkoppen glunderden zinlijk en wreed van passie in gloedwalmend roodgeel schijnsel van ovens en lampetten. Boerenbeentjes klein en zwaar van krachtspanning, trampelden weer stuipend. De groote slungel, schonkig en donker boven de pofpetten uitreuzend, gierde en pagaaide z'n beenen in dronken spartel voor zich uit. Z'n zeehondenkop met puntige kinnespits, was beschuimd van uitgebrald spog, en z'n karikatuurhanden, knepen krampig van pret in de schouders van twee boertjes waar ie tusschen gekneld waggelde. —
Politie had 't duivelende meidenstel in hun jool van rokken-lawaai, in hun stem-bezetenheid en bysterischen waanzinroes zien steigeren, en met schrik de boertjes zich zien storten op de dronken furies, die heftig terugbonkten. Een van de vier dronken vrijsters, lang en schraal, stond waggelend neusklankerig te stoethaspelen, drukte d'r hoofd in den nek na wat wezenloozen woordenstamel, zoog de flesch aan den mond en klokkerde 'r drankje in, knie-ingezakt van passie. Aan haar arm ingehaakt, al de rokken opgesjord, gilde 'n klein blondje, krijscherig als 'n zuigeling :
— Aooaau-uw ! waa't 'n ska-ande !
De twee andere meiden slingerden mee met de dansschokken van de hysterische blonde, die lach-hinnekend, in polderkerel-kracht d'r dronken vriendinnen, dan naar zich toesleurde, dan weer van zich afstootte.
En rond hen, de tronies-wreede boertjeskring, buikzwaar en kortbeenig, met den paljaslach van den schonkigen donk'ren herkuul er boven uitrochelend. —