3x8
Boerenstoet, nu in kring met vreemde kerels rond geschakeld, aarzelde met nieuwen aanval op de meiden. Toen plots drongen de vreemde knapen vooruit en smakten zich woest op de vier bezetenen, hel in hun oranje-roode blouses en rokken. Hun zangekerm brak even af, en in spuwende verachting spogen ze de kerels 'n stroom kleurige confettis in de tronies, hun lijven in wilden woel, ruisch en druisch, rondspiralend in eindlooze serpentiens. —
De meiden, hoonend in hun woeste kracht, trampelden rond dat de serpentiens knapten op hun lijven. Twee kerels mikten hun de slangelinten in de zanglallende monden, kronkelden ze tusschen hun ontbloote beenen, en de boertjes in wreeden zinneschater, kringden nauwer aan. De meiden, doller in al engeren krans zich voelend, haakten zich armlos, trampelden de boertjes op de tonnige korpulente buikjes, mokerden vuist-hevig in de gloed-geschroeide kerelstronies. En haveloozer overkolkt van rokkenschuim, kankaneerden ze zich los tegen den boertjes-muur, die de bezetenen weer met woesten smak den kring inwaggelden.
Besefloos en öp hijgden twee meiden uit, met bloederig gevlek van karmijn-valen schijn op de kaken.
Politiemannetjes onrustiger, rukten aan, sloegen zich nu gemaakt-driftig door den boerenkring heen, botsten de dronken kerels wèg, verkneuzend hun papieren ruikerpracht op borst, hoofd, rug en dijen.
Maar de kerels waggelden in nijdigen haast bijéén met hun afgezakte kleeren, losgerukte broeken en jassen, in dronken gier harlekineerend met kleurigen flapper van linten en mutsen. Al dichter verschuifelden ze naar bakovenbrand van grootste wafelenkraam, zwaar gebarend in protest, om 't weggeduw der politie ; — daar groeiend tegen den rossigen vulkanisch en licht-schroei als waggelende titanen. Vermanend-schuchter drongen de wetsmannen aan, de dol-gierende meiden praaiend naar kalmte.
Maar de furiën overmoediger raasden öp, stotterden van dronken drift, spogen, vloekten en scholden op de agenten, mokerden