3i6
öp in den zomer-zwoelen avond. Om en achter de tenten en spellen in 't duister, doken kerels aan met meiden, in rauwe genotskreun, zat en lijflog van uitgedierlijkten zwijmel. Politie deed schuchteren rondgang daartusschen, waagde zich nauw onder de mesklare vechters. Uit de bont-gloeiende poffertjeskramen, langs 't duisterend plankwerk, plofte plots 'n rij korte, lallende boertjes, vetbuikige-ingedrongen gestalte-tjes, begoudschemerd van ovengloed. Hun koppen grijnsden dronken, bietig-purper ; hun bezopen oogen verfonkelden lol, en hun glanzende pofpetten reepten 'n zwarte lijn boven hun tronies. In hun midden herkuulde 'n paal-lange reus, slungel met smallen zeehondenkop, wreed loerend uit loensche oogen. Donker bonkten z'n schonken boven de lage rij pofpetten uit. — Boerbuikjes spanden, armpjes wrongen, beentjes, breed gezakt in klepbroekenplooien, zwommen en trampelden rond in den oranje lichtmist, en vóórt sliertte de met armen-ingehaakte slingerrij, van den vuurschijn uit, 't duister in. —
Pal in de flakkerende flambouwing van de luchtschommels doemden ze weer óp, begloeiend de tronies, zwammig geel neerbrandend op monden, kaaklijnen, woelend woest in oogholten. Telkens gleed wisselenden lichtglans over den boertjesstoet als vóór hen, een dolle dans van dwars voorbij rennende kerels en wijven, okerenden rosglans van ovens en lampen opslurpte.
Vlak voor de kleine boertjes uit, met den reuzigen slungel in 't midden die meedonkerde als gemoerde lantaarnpaal waarop pofpet piekte, kankaneerden vier woest-dronken Kerkervaart-sche meiden, in flappering van rokken en kanaljeuse lijfont-blooting, zwierig zwirrelend omschuimd van witte onderplunje, kolkend tusschen hun dans-duivelige kuiten. Ze draaiden en raasden in hun eigen kolkender rokkenschuim als dolle kollen. — Met opene zangmonden, in keelbrand roodgeslagen door 't licht, koppen hemelwaarts, gilden ze rond, tamboerijnend met de woeste knuisten op kindertrommeltjes, kannibalige geruchten verroffelend. Ze spuwden in den kermiswoel, horle-