315
— Je host, je lach-igt, je haif pels׳er Je loa je waige, je suipt je bier !
Voor den stoomdraaimolen gierde juichende menschendrom.
Zondagavondsche kelmisjoel was in verpletterend uitbarstenden zwier aangestormd. Van alle kermishoeken uit, brandden lampions, rood-oranje, geel-groene gloor, tusschen flambouwengoud en brandstapelig vonkgevlam van poffertjeskraam-ovens, waarop 't vuur knapperde en tonglikte, rood ommistend de gloeikleurige tenten.
't Zigzagde in de brandroode lucht van lampions-kronkels en vlammige hoogpoorten boven de oranjige walmkoppen.
De stoomdraaimolen raasde in wenteling en verroffelde vernielende geruchten rond, onder den hel-paarsen brand van elektriek. Van binnen uit, achter barokstijl van zuilen en tempelbogen, kringden öm in rutschbaangolving, venetiaansche gondels, vurig beboegd, met gondeliers in tomaatroode gewaden, sloepen en baldakijnen, hermelijn-blank oversneeuwd in 't helle licht, tusschen Hakkerenden duizel van spiegels en ruiten. Moorsche kioskjes, fel in vlam van heete kleuren, zwalkten op baren van schutterige glansen, avondzonnende sfeer van elektriek.
En telkens, andere sloepen en gondels draaiden vóór, in roffelend gerucht; gondels, die de grof-koppige gondeliers als Graal-karikaturen, op zwaanhalzige bootjes, met hun zilverende schubbenkleedij, in hellen gloed gevangen hielden. Als 'n zondvloedstorm zwalpte de infernale roffel van den stoom-molen tusschen de saamgestampte licht-overschroeide kijk-massa. Gekraak en gekreun kermde er neer uit de sloepjes, brallend geschater uit heesche strotten. En als Satanssignaal verschalde de stoomfluit van den molen, angstgegil van 'n misthoorn, door den brandenden woel heen, spiraal van demonisch gerucht over de daverende en jammerende drommen snerpend, verstervend in klagelijk geloei langs de duisterende polderzee.—
Broeisfeer van kermis smeulde rook-rooder en goudmistiger