306
van neergeronkte bewustloozen. In gelige oliejassen en groenige pijjekkers schurftten hun lijven, de morsige rottende plunje bedropen met vuil en modder. — Hun marjeniers-kleppetten schooierden scheef, vlak boven de brauwen, en pruimspuwend stootten ze zich telkens, als in vuistgevecht, de knuisten in de petten, dat de gebarsten kleppen deukten en rafelden in slonzige boevigheid. En zóó, in sprong op kruk, hinkend of jammerend, bedel-smeekten ze de gierende hossers en slenteraars tegemoet, gromvloekend en plots dreigend als er niets afviel.
Tusschen de spullen, draaimolens, luchtschommels, Jutskoppen en worp-bakken, in achteruitdonkerende hoeken, van de krat erende kermishel afgetrapt, duister-droefden de stalletjes met poonen, scharren, en vroege vruchten. —
Stille jammerlijven, — met d'r tronies geelrood begloeid, achter de kar-stalletjes neergedonkerd op lage krukjes, half verstikt in den roetkleurigen walm van stank-zweetende petroleumpitten, die flakkerend vlamlekten, roodgeel en bronzerig in angstigen schroei van misere-belichting, verspokend in prachtsfeer ; — stille jammerlijven riepen monotoon hun waar. — Kar aan kar droefde omdampt van prachtrood-gouden nevel, de half-donk're lijven verschrompelend; de roepende lippen rood-grillig aangloeiend, de open roode monden verrossigend groot, de zorgelijke geel-roode tronies belichtend in vale gloeiing. En scheem'rig in bronzen flakker, kleur-weifelden omslagdoekjes van de stalletjesvrouwen, achter den bangen schroei van rood-dampigen pittenwalm.
Hun rood ver smookte monden bekrijschten al sterker hun koopwaar.
Met één sprong tijgerden ze óp van hun weggezonken krukjes uit 't geel-roode geschemer als koopers opdrongen. — Voorovergebogen dan over hun stal, oranje-feller gloeiden hun tronies aan, in den flakkerbrand van hun walmende pitten, flambouwig vlamlekkend schijnsels op neuslijn, jukken en ooren ; verwal-mend roodzwart over wangbrokken en kleeren, de oogen vonkend in hellen vuurgloed. Handen oranjig, gloeiden en graaiden