305
gespletene, slangkoppige en beest-grillige monsters, jubelden in hellekring. Waar, tusschen het moordend zwart van den nacht, Satan aanstormen deed, breed-uitspattenden golven-brand van schroeiend licht en vlammenvuur, om damproode mist-poorten in kratergloed. Daar, in die roode nood-beierende klokkenstad, drong Satan óp met z'n demonische helpers, saam-gestoet in den schallenden vuurgloed en schater van hun haat, loslatend en verjagend over 't aardebrok, monsterlijke jammermenschen, wraakgierig gekastijden, geschondenen en verminkten ; hinkende mirakels en verluisde landloopers ; goochelaars en ketellappers, roetig als kolebranders; maagden en havelooze oude wijven, tooverkollig en hekserig, met tronies van bakers, of drakige petemoeien, dooreen zwirrelend in den verhitten waanzin van hun walmende wellust en zuip-passie. —
Zoo de heete beestmenschen dromden óp in uen scnorren jammer van hun eigen krijsch, ontploften in den vuurdamp en bloed-rooden gloei van zinnedrift, ontembaar en bandeloos verbacchanalend, grootsch-dierlijk leven. —
IV.
In geweldige lijn, van paal tot paal, tent tot tent stond de Haven-kermishoek in gloei. De boomen in den elektrischen lichtmist, met de hel-avondgroene bleeke lom'ring, staarde in waanzin-schrik naar den dronken hellewaggel.
Kerels met bruine kruiken en flesschen, strompelend, klokten jenever in, vuurheet op straat, waggelden na slurp en genotsrochel weer verder, verschaduwden in donkering, lichtten verder weer óp in brandschijn. Schonkige boeven in lompenellende, schooierden sinister bijeen, stoelenmatters en scharenslijpers, bedelaars-smurrie en jeuk'rige landloopers, morsige ketellappers, hinkenden en schijn-verminkten, stem-smeekend op krukken, strompelend voor tenten en bak-vuren van poffertjeskramen, gretig loerend op gulle fooi van bezopenen of naar zakrol II. 20