304
in de meidrokken, smakten ze zich op de vrouwlijven, sleurden ze hierheen en daarheen. —
Heesche galm bralde rond :
Ar re me frouw en kindere
Stuurt men nöa de moor-de-noarskampe haine ! j Oooaa־uw ! waa't 'n ska-ande !
Loage wroak.. van En-gè-land.
Woester, in donker-belichte slingerrij, hoste de bende door, in rammel van blommen, uitslierting en druisch van linten, paljasserigen kronkel van lijven, voortsleurend tusschen de ingehaalde omstormde meiden. Hun hoeden waggelden vuist ver-beukt op de koppen, en de geradbraakte beenen dansten over de straat als gekrompen en kreupel.
Van 't paardenspul, bij den Havenhoek, sloeg 'n fakkelhel goudrossig, in gelen walm-weerschijn, 'n vurige gloed ze in de tronies. De opgesjorde meidenrokken plooiden kanaljeus boven het kleurig en wit ondergoed, bij de mooiste en heetste been-uitschoppende en harlekijnige juffers 't hevigst, in waaierende schuiming op woelend. —
Heescher gebral braakten ze uit bij den fakkelbrand.
— Heb je wèl hoort
Hoe de En-gelschman moort
In Suid-Oafrikoansche felde !
Hoe men Skeepers.. dien held
Haift ter nair gefeld..
Deur beule daid men sain f'rmoofde !
Immense jammer rauwde uit de roode kelen, en geeselend, ״n sidder van kermissatanisme, smakte de bevende realiteit, opgejaagd in verbijstering néér op de dampen en vuurkringen, waar de passies in aangloeiden en de uitfuriënde beestlust steigerde. 't Stedeke vervulkaande als demonenrijk, roode helle-stad waarin duizenden brandende alarmklokken bimbamden. — 't Stedeke vlamde en gloeide, verreuzigd als demonenrijk, waar mensch-duivels en gedrochten, satyr-hoornige, bokspootig