303
en kraaiden mee, met genotshuiver en aangehitten wellust op de brandende kaken, in laatste levensopstuiping, dol van't roode en paarse gloedlicht waar ze doorheen sprongen en hosten als in 'n nacht van moord. De jonge meiden gierden en lalden als geschondene, tot furies vervlamde wijfbeesten, met hun woesten zinnenschroeienden oogenstaar wèg in 't genot, de beenen uitslaand als touwtjes-harlekijnen. Onder dien wijvenstoet, soms plots zacht voortschuifelend, gloeiden öp koppen van al dieren ; fijne, katzachte gluiperige tronies, strijkerig en lekkend, blank en rozig met de gazige doorschijnende warmte van hun kappen-goud en oorbellenschitter; wandrochtelijke vischsnoeten, met kieuwige mondlijnen, spleterig en liploos-nijdig; tronies van hei-strakke wreedheid, verstuipt in brandende lijf-passie, 't gezicht grauwrood vervreten van beestige lusten, naast week-zoete melk-blanke poppetjes, zoo gekarnd van 't land, in lodderige naïviteit, hulpeloos meekankaneerend, soms bevallig in kinderlijken lijfzwier, omstraald van hun bontvervige doeken en sjalen. —
Zoo schuifelde en sprong de boerenbende voorbij, de mannestemmen klankloos en schreiend-heesch van lallend gebral; de oude wijven zang-kermend als verdoemden in hellevuur.
Vroolijk doorkruiste plots een hossende meidenstoet de zwij-melbende van• oude wijven, jonge boerinnen en drinkebroers. —• Hossende meiden met vloeipapieren mutsen op hoeden en borst, op de hielen nagehunkerd door 'n troep straat jochies, die met hun hoog-puntige ingekromde mutsen, als baardlooze karbou-ters in en uit 't lichtfelle lainpgegloei van kramen en bakovens opdoemden en wegdoken. — Achter hen weer rende 'n gierende kerels-stoet, in woesten amok-zwaai van armen, met opgekruifde mutsen op de hoeden, roode en hard-groene papier-boeketten op de borsten, in blommigen pronk besliert met oranje sjerpen en serpentines. Er waren die zich 't heele lijf, van boord tot broekspijp hadden volgespeld met ruikers en linten, omregend draafden en hinkten in strooival van konfetti. Jutsmedailles zilver-sterden en goudglommen op hun kleeren, en in waggel haakten ze zich vast met dronken klauwen, beverig en gemeen