302
ruchten zélf horlepijpten nog na, hoog in de lucht, hun woeste schal in den brallenden Augustus-avond.
Van de Baanwijk af dromden de menschmassa's, opstuivend door stegen en gangen naar Haven terug, waar 't gewoel nog helscher loeide en zengde. —
Als 'n bekraterde duistere nachtstad, waar half-ingestorte gevel-geraamten en brok'lige ruïnes nog nazwammen onder heet puin en gloeiende stormlava, in 'n dampigen vuurregen van tooverwoeste kleuren, — demonisch en angstontzaggelijk in bange nachtpracht rondwolkend, — zoo brandde de Haven daar öp, in een roodgouden schroeienden walm-mist. En aan den voet, dollerijk van licht, vlam en lijfgewoel. Zoo barstte en krater-spoog daar het leven uit, van draai- en stoommolens, tenten, spullen, kramen en ovens.
Van Baanwijk af, was de woeligste kermisgang in een schuimenden vloedgolf naar de Haven gebruist, in verborrelenden smak en zuig neerkolkend op stoommolen, schommels en paardspullen. -— De stoommolen stond in laaiende praal, met z'n vonkende spiegelruiten en inwendigen warrel van bont be-kleurde gondels en schuiten. Alles verschommelde daar achter glans-spiegelend ruitwerk, dat de menschen trampelden en vloekten van ongeduld om zich in die wentelende pracht te kunnen storten.
Tusschen de wachtende bende, vóór stoommolen holden in bazuinende toeters- en blaasdreun, dronken boerenkerels en tuindersknechten, met aangehaakte boerenmeiden, betatoe-eerd in lint en blom, van hoed tot hielen. —
In 't vuurbakige paars elektriek gloeiden de kerelskoppen op ; tronies van ibissen norsch-wijs, op kurassiersgestalten ; tronies van vossen, listig en boerig loensch in feilen vraatzuchtigen mondstrakken hartstocht; mombakkes-wreed en rauw, licht-maskers, sullig en verwrongen van dronken slemp'rigen lust. En wijven vlerkten mee in dolle verrukking, halfbezwijmd.
De oude wijven er onder, bezopen en roodgelig van tronies, in duivelige hekserij en tooverkollige starheid, kermkrijscliten